“Mit dem Ruecken an einer kurzer Betonsockel gelehnt eingeschlafen, August 1981”

De nazificering van vrouwenorganisaties in Nederland

Omslagontwerp: Jos Hendrix, Groningen
Foto omslag: coll. RIOD, Amsterdam
© Amsterdam University Press, Amsterdam, 1997

Stefan Louwers, ‘De nazificering van vrouwenorganisaties in Nederland’, in: Henk Flap en Wil Arts, De organisatie van de bezetting (Amsterdam 1997) 99-115.

Dit artikel is een bewerking van het werkstuk ‘Er is ook in deze tijd een taak weggelegd voor onze vereeniging.’ Een vergelijkend onderzoek naar het nazificeringsbeleid ten aanzien van vijf Nederlandse vrouwenorganisaties en hun reactie daarop, 1940-1945, dat Anouk de Leeuw en Stefan Louwers in 1994 schreven in het kader van het Seminar Historiografie en Methoden II Nieuwste Geschiedenis ‘Nazificering’ onder begeleiding van prof. dr. J. Bosmans aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

In Memoriam Anouk de Leeuw († Deventer, 5 april 2021).

Wil Arts en Henk Flap, De organisatie van de bezetting: ter inleiding

“In het begin van de oorlog probeerde de Duitse bezetter de Nederlandse bevolking voor het nationaal-socialisme te winnen via min of meer spontane massabewegingen van onderop, vanuit die bevolking zelf. Toen die pogingen nauwelijks of geen succes opleverden, was hij in toenemende mate aangewezen op het gebruik van de verordenende bevoegdheden die hij bezat (Blom, 1982, p. 70). Blom (1982, p. 71) stelt dat het resultaat van de Duitse bemoeienissen in wezen beperkt bleef tot de greep op organisaties, niet op mensen. Op allerlei gebied, stelt hij, poogde de bezetter waar de nazificatie spontaan niet lukte door gelijkschakeling van de organisaties het beoogde doel af te dwingen. Zo werd, vervolgt hij, het traditionele, verzuilde en veelzijdige verenigingsleven in Nederland geleidelijk maar effectief afgebroken, namelijk ofwel geheel beëindigd ofwel in nieuwe officiële eenheidsorganisaties ondergebracht. Maar ook hier weer speelde de organisatie van onderop de bezetter parten. Dat blijkt onder meer uit de bijdragen van Werkman en Louwers.”

“Het was Rost van Tonningen die, op gezag van Himmler en Seyss-Inquart, moest proberen niet alleen ‘de arbeiders’, maar ook ‘de boeren’, ‘de vrouwen’ en ‘de jeugd’ voor het nationaal-socialisme te winnen. Louwers stelt in zijn bijdrage de vraag in hoeverre de Duitse bezetting slaagde in zijn poging tot nazificering van Nederlandse vrouwenorganisaties. Hij laat zien dat, ondanks de opdracht aan Rost van Tonningen, er in Nederland onder nationaal-socialistisch bewind geen sprake is geweest van een alomvattende, specifieke beleidsvoorbereiding en uitvoering ten aanzien van de nazificatie van vrouwenorganisaties. Aanvankelijk streefden de nationaal-socialistische vrouwen, georganiseerd in de aan de NSB gelieerde Nationaal-Socialistische Vrouwen Organisatie (NSVO), wel, naar analogie van het Duitse model, naar één overkoepelende, landelijke organisatie. Toen deze poging tot reorganisatie van onderop mislukte, werden pogingen van bovenaf ondernomen om sommige vrouwenorganisaties gelijk te schakelen. Dit waren veelal vrouwenorganisaties die zich tevens op andere gelijk te schakelen maatschappelijke terreinen begaven zoals die van de landbouw en de arbeid. Dit leidde echter tot een aftreden van bestuursleden en een uittocht van leden. Andere, meer ‘zuivere’ vrouwenorganisaties werden niet getroffen door directe nazificeringspogingen, maar kregen wel te maken met op de nationaal-socialistische ideologie gebaseerde maatregelen en verordeningen die hun functioneren bemoeilijkten. Daar was veelal sprake van een accommoderende reactie. Louwers concludeert dat de nazificeringspogingen van de Nederlandse vrouwenorganisaties al met al zijn mislukt.”

“De heuristische waarde van dit alternatieve perspectief blijkt niet alleen uit de verschillende toepassingen ervan door Lammers (1990, 1994 en 1997) zelf, maar ook uit de verschillende bijdragen tot deze bundel. Denk maar aan de beschouwingen van Louwers en Werkman over de wisselwerking tussen organisatie van bovenaf en van onderop bij de pogingen van de bezetter om vakbonden en vrouwenorganisaties gelijk te schakelen.”

Henk Flap en Wil Arts, De organisatie van de bezetting (Amsterdam 1997) 7-15.

De organisatie van de bezetting is de boekaflevering 1997 behorende bij het tijdschrift Mens & Maatschappij jaargang 72.

De nazificering van vrouwenorganisaties in Nederland*

*Schrijver dezes, 2026: De tekst van het artikel uit 1997 is onveranderd, op één toevoeging na: “[secretaris-penningmeester] Ribbius Peletier”.
Noten worden nu weergegeven volgens P. de Buck e.a., Zoeken en schrijven. Handleiding bij het maken van een historisch werkstuk (10e druk; Haarlem 2010). ‘Literatuur’ en ‘Archivalia’ uit het oorspronkelijke artikel zijn hierin opgenomen. In het werkstuk uit 1994 was het notenapparaat uitgebreider.
Onder ‘Archief’ is een overzicht van de in 1994 geraadpleegde archieven en archivalia toegevoegd [Anouk de Leeuw en Stefan Louwers, ‘Onderzoeksplan’, 23 maart 1994]. Onder ‘Literatuur’ de in 1994 geraadpleegde literatuur, voor zover al niet opgenomen in ‘Noten’.

Inleiding

Alhoewel het lijkt alsof alle aspecten van de Duitse bezetting van Nederland inmiddels onderzocht zijn, blijven er lacunes in de literatuur bestaan. Tot voor kort gold dat ook voor de positie van vrouwen in de bezettingstijd. De laatste jaren is deze vooral door de opkomst van vrouwenstudies wat meer in de belangstelling gekomen. Een nog grotendeels onverkend terrein blijft echter de ideologische invloed die de bezetter op Nederlandse vrouwen probeerde uit te oefenen: in hoeverre slaagde de bezetter in zijn poging tot nazificering van Nederlandse vrouwenorganisaties?

Onder nazificering verstaan we het vormgeven van een samenleving naar de grondslagen van de nationaal-socialistische ideologie. Deze doelstelling van de bezetter kan op verschillende manieren worden nagestreefd. Behalve door de uitvoering van wetten en maatregelen die geïnspireerd zijn door de nationaal-socialistische ideologie, kon de bezetter via propaganda en organisatorische middelen de bevolking trachten te winnen voor zijn ideologie. Nederlandse vrouwenorganisaties hadden tijdens de bezettingstijd met beide vormen van nazificering te maken.

We beperken ons onderzoek tot landelijke vrouwenorganisaties: dat wil zeggen tot verbanden op landelijk niveau waarin vrouwen zich op een bepaalde grondslag en met een specifieke doelstelling verenigden. Volgens onze inventarisatie blijken er begin 1940 vele tientallen Nederlandse vrouwenorganisaties te hebben bestaan, van alle mogelijke levensbeschouwelijke en politieke richtingen, en met doelstellingen die zo mogelijk nog verder uiteen liepen. Uit de drie typen te onderscheiden vrouwenorganisaties – de zuilgebonden, de feministische en de belangenorganisaties – selecteerden we de vijf grootste organisaties: de Rooms-Katholieke Vrouwen Bond en de Bond voor Sociaal-Democratische Vrouwen Clubs als op levensbeschouwing geïnspireerde, zuilgebonden verenigingen;1 de Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap als oudste en meest actieve feministische vrouwenorganisatie; en ten slotte als grote en invloedrijke belangenverenigingen de Nederlandse Vereeniging van Huisvrouwen en de Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen. Deze organisaties bestudeerden we aan de hand van de volgende vragen: welke doelen stelde de Duitse bezetter zich wat betreft Nederlandse vrouwenorganisaties en wat voor middelen gebruikte men om deze te bereiken? In hoeverre zijn er overeenkomsten en/of verschillen waar te nemen in de manier waarop deze organisaties met nazificerende maatregelen werden geconfronteerd en in de wijze waarop ze reageerden?

Alvorens te bekijken hoe de vijf onderzochte Nederlandse vrouwenorganisaties werden geconfronteerd met de nationaal-socialistische ideologie en de daaruit voortvloeiende praktijk van de Duitse bezetting, gaan we in op de nationaal-socialistische ideeën over de positie en maatschappelijke functie van vrouwen en de wijze waarop deze in Duitsland via organisatorische middelen vorm kregen.2

Vrouwen en vrouwenorganisaties in nationaal-socialistisch Duitsland

De nationaal-socialistische ideologie deelde, volgens Gisela Bock, mensen in op basis van twee uiterlijke kenmerken: sexe en ras. Vrouwen werden in eerste instantie als moeders beschouwd en vervolgens in twee groepen gesplitst: in zij die wel, en zij die geen kinderen mochten krijgen. De eerste groep bestond uit ‘gezonde Duitsers’, de tweede uit ‘sociaal en raciaal minderwaardigen’. Ten aanzien van de ‘onwaardigen’ werd een antinatalistische politiek gevoerd, ten aanzien van de ‘uitverkorenen’ een pronatalistische. De overheid besteedde haar geld en propaganda vooral aan de antinatalistische politiek. Schoolboeken voor meisjes verheerlijkten in drie bladzijden het Duitse moederschap, maar daarna werd er twaalf bladzijden lang ingegaan op de mogelijke noodzaak ‘onwaardige’ kinderen te moeten steriliseren, en op het verbod te trouwen met joden, zigeuners en andere ‘erfelijk minderwaardigen’. De nazi-ideologie verheerlijkte daarnaast op symbolische wijze het moederschap. Moederdag werd uitgeroepen tot nationale feestdag, en de staat reikte medailles uit aan ‘goede moeders’, waarmee moeders met veel kinderen werden bedoeld.

Het gezin werd beschouwd als de kiemcel van de staat. De taak van de vrouw lag dan ook in de eerste plaats binnen dat gezin. Vrouwen kregen de rol toebedeeld van hoedsters van de Duitse cultuur. Door Duits te koken, het huis op Duitse wijze in te richten, Duitse kleren te dragen en Duitse liedjes te zingen, moesten ze de cultuur beschermen tegen vreemde invloeden en deze liefdevol overdragen op kinderen.

De nationaal-socialistische opvatting over de taak van de vrouw in de samenleving was gebaseerd op de idee van sexe-polariteit, de idee dat mannen en vrouwen ‘van nature’ verschillende talenten en dus verschillende maatschappelijke taken hadden. Hitler legde dat in 1934 in een rede voor de nationaal-socialistische vrouwenorganisatie, de Nationalsozialistische Frauenschaft (NSF), als volgt uit: ‘… de wereld van de man is de staat, die van de vrouw het huis, en deze werelden zijn complementair aan elkaar; vrouwen moeten niet proberen de mannenwereld te betreden.’

In nationaal-socialistisch Duitsland probeerden twee belangrijke door vrouwen opgerichte vrouwenorganisaties deze visie te verbreiden: de Nationalsozialistische Frauenschaft en het Deutsches Frauenwerk (DFW).

De NSF ontstond in 1931 na de fusie van een groot aantal lokale nationaal-socialistische vrouwengroepen. In 1935 had de organisatie meer dan 2 miljoen leden en werd ze officieel een afdeling van de Nationalsozialistische Arbeiterpartei (NSDAP). De door Reichsfrauenführerin Gertrud Scholtz-Klink geleide NSF wilde in haar gelederen de vrouwelijke nazi-elite verzamelen en liet daarom vanaf 1936 vrijwel geen nieuwe leden meer toe.

De massa van de Duitse vrouwen werd georganiseerd in het DFW. Deze eveneens door Scholtz-Klink geleide organisatie had geen officiële banden met de NSDAP, maar ging wel uit van de nationaal-socialistische ideologie. In 1938 telde het DFW zes miljoen leden, vier miljoen daarvan waren afkomstig uit gelijkgeschakelde vrouwenorganisaties.

De activiteiten van de nationaal-socialistische vrouwenorganisaties beperkten zich hoofdzakelijk tot het sociaal en huishoudelijk terrein. De door hen georganiseerde moeder- en gezondheidscursussen waren echter doordrenkt van nationaal-socialistische gedachten. De ‘rassen- en bevolkingspolitiek’ stond centraal, evenals de ‘geestelijke vorming’ van de leden.

De leiding van zowel het DFW als de NSF beweerde, in tegenstelling tot de werkelijkheid, dat hun organisaties alle Duitse vrouwen verenigden. Meisjes onder 21 jaar werden echter verplicht lid van de Hitlerjugend; boerenvrouwen werden opgeëist door de Reichsnährstand; en vrouwelijke arbeiders werden lid van het Arbeitsfront. Het komt er dus op neer dat vrouwen zich niet primair op grond van sexe organiseerden als er andere categoriseringen beschikbaar waren.

Het Deutsche Frauenwerk en de Nationalsozialistische Frauenschaft waren net als het nationaal-socialistische regime op expansie gericht. In navolging van de Duitse gebiedsuitbreiding staken ze de grenzen over. DFW en NSF werden zo onder meer actief in Elzas-Lotharingen, Luxemburg, Sudetenland en Oostenrijk.

Na de Duitse inval in Polen in september 1939 probeerden DFW en NSF aan ‘Volksduitse’ vrouwen in de bezette Oosteuropese gebieden de nationaal-socialistische ideologie over te brengen. In deze gebieden werden veel vrouwen lid van het DFW of de NSF. Beide organisaties waren nauwelijks vertegenwoordigd of actief in landen en gebieden die volgens de nationaal-socialistische ideologie niet tot het Groot-Duitse Rijk behoorden. De voorwaarde voor een lidmaatschap van het DFW of de NSF bleef een ‘Arische’ afkomst.3

Nazificerende verordeningen en maatregelen in Nederland

Na de Duitse inval in Nederland kreeg rijkscommissaris Seyss-Inquart, de hoogste gezagdrager in Nederland tijdens de bezettingstijd, van Hitler de opdracht het Nederlandse volk geleidelijk te winnen voor een ontwikkeling in nationaal-socialistische richting. Op 2 juni 1940 besloten SS-leider Himmler en Seyss-Inquart dat Rost van Tonningen, een prominent lid van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), als gemachtigde van de rijkscommissaris voor de marxistische partijen en de Arbeiderspers, ‘de arbeiders’, ‘de boeren’, ‘de vrouwen’ en ‘de jeugd’ voor een intrede in de grote Germaanse gemeenschap zou moeten winnen.

De nazificering van ‘de vrouwen’ werd door Rost van Tonningen grotendeels overgelaten aan de in 1938 opgerichte Nationaal-Socialistische Vrouwen Organisatie (NSVO), een nevenorganisatie van de NSB, die zich tot dan toe vooral bezighield met activiteiten op sociaal terrein. Onder invloed van plaatsvervangend landelijk leidster freule Julia op ten Noort, die contacten onderhield met SS-leider Himmler en de Nationalsozialistische Frauenschaft, schoof de NSVO na mei 1940 ideologisch op in NSF- en SS-richting en streefde zij de nazificering van andere vrouwenorganisaties na. In een brief van Julia op ten Noort is de doelstelling van de NSVO duidelijk verwoord: ‘Het aaneensluiten van alle vrouwen in ons Nederlandsche Volk, ver van alle partijgeschillen en kerkelijke sekten. De NSVO wil niet zijn een politieke organisatie, maar een die beoogt alle Nederlandsche vrouwen aanéén te schakelen tot een gesloten front’.

Na de Duitse inval kregen Op ten Noort en de landelijk leidster van de NSVO, E. Keers-Lasseur, de volledige medewerking van de bezettingsautoriteiten. Op ten Noort ontwikkelde zich al snel tot de spil van de NSVO. In oktober 1940 telde de organisatie ongeveer 3.300 leden en in februari 1941 6.500. Seyss-Inquart en Rauter, de commissaris-generaal voor de Openbare Veiligheid, schreven de ledenwinst toe aan haar inspanningen.

De eigenzinnige koers van de NSVO onder leiding van Op ten Noort werd echter niet gewaardeerd door NSB-leider Mussert. Toen bleek dat Op ten Noort in Duitsland scholingscursussen voor NSVO-aspirantleden en voor het kader van de toekomstige nationaal-socialistische jeugdbeweging organiseerde en met name de vrouwelijke jeugd geheel onder de hoede van de NSVO wilde brengen, was de maat voor Mussert vol. Op 20 februari 1941 werden Keers-Lasseur en Op ten Noort vervangen als voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de NSVO. Andere ‘Rost-elementen’ verdwenen eveneens uit de organisatie, die daarna terugkeerde naar haar vooroorlogse karakter. De NSVO bleef tot het einde van de bezettingstijd functioneren, maar zij kwam niet meer toe aan haar streven om alle Nederlandse vrouwen in één organisatie te verenigen.4

Een meer directe methode waarmee de Duitse bezetter vat probeerde te krijgen op het Nederlandse maatschappelijke bestel was de controle op niet-commerciële verenigingen en stichtingen. Om die controle gestalte te geven werd op 20 september 1940 verordening 145/40 van kracht. Daarmee werden niet-commerciële verenigingen verplicht zich schriftelijk aan te melden bij één van de vijf procureurs-generaal van de gerechtshoven. Een aantal verenigingen en stichtingen trokken zich niets aan van de verordening. Negentigduizend verenigingen en stichtingen voldeden wel aan het verzoek tot aanmelding. Het aldus ontstane overzicht van niet-commerciële verenigingen en stichtingen gebruikte de bezetter om te bepalen tegen welke organisaties maatregelen genomen moesten worden.

De Nederlandse NSB’er Hans Werner Müller-Lehning kreeg als commissaris voor niet-commerciële verenigingen en stichtingen via verordening VO 41/41 de bevoegdheid verenigingen te ontbinden of van een nieuwe leiding te voorzien, om zo het hele Nederlandse verenigingswezen te kunnen gelijkschakelen. De controle op de aangemelde stichtingen en verenigingen had echter een incidenteel karakter, omdat het commissariaat Müller-Lehning eenvoudigweg niet over de middelen beschikte om alle verenigingen te controleren. Zijn bureau concentreerde zich derhalve op de door de Sicherheitspolizei verboden organisaties, en op tips over verenigingen uit Duitse of NSB-kringen. Twaalf districtsinspecteurs hielden de activiteiten die verenigingen ontplooiden in de gaten.

In maart 1941 waren 120.000 verenigingen onder het toezicht gesteld van het commissariaat Müller-Lehning. Van de in 1941 gecontroleerde verenigingen werden er 7.700 opgeheven. Het ging hierbij voornamelijk om plaatselijke afdelingen van staatkundige partijen.

De bewaard gebleven maandrapporten van het bureau Müller-Lehning geven de indruk dat vrouwenorganisaties buiten de aandacht van de districtsinspecteurs bleven. In de rapporten wordt vier maal melding gemaakt van activiteiten van de Nederlandse Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen en twee maal van de activiteiten van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen.

De niet-commerciële verenigingen en stichtingen die nog niet verboden waren, konden blijven functioneren, onder de – moeilijk te controleren – voorwaarde dat bij vergaderingen maar twintig personen aanwezig mochten zijn en geen politieke onderwerpen werden besproken. Zolang een vereniging niet in negatieve zin opviel bij de Sicherheitspolizei of het bureau Müller-Lehning, kon deze activiteiten blijven ontplooien of doorvergaderen over niet-politieke onderwerpen. Zelfs al werd een organisatie opgeheven, dan nog kon de bezetter niet verbieden dat leden informeel contact onderhielden. Het voortbestaan van verenigingen en stichtingen werd meer bedreigd door antijoodse maatregelen. Op 1 november 1941 vaardigde Seyss-Inquart verordening VO 199/41 uit, waarmee het joden verboden werd lid te zijn van een niet-commerciële vereniging of stichting.5

In de onderstaande paragrafen zal bekeken worden hoe vijf Nederlandse vrouwenorganisaties reageerden op bovenstaande nazificerende maatregelen.

De Rooms-Katholieke Vrouwen Bond

De Rooms-Katholieke Vrouwen Bond (RKVB) werd in 1912 op gezag van het Nederlandse episcopaat opgericht, om katholieke vrouwen een alternatief te kunnen bieden voor meer op emancipatie gerichte organisaties. De bond organiseerde vooral activiteiten op sociaal terrein. In 1932 bereikte de RKVB met 165 plaatselijke afdelingen en 60.000 leden (waaronder 20.000 religieuzen) haar hoogtepunt. In de jaren daarna liep het ledental sterk terug, in september 1939 staakte men de uitgave van het RKVB-weekblad Marijke (voorheen De Katholieke Vrouw).

De RKVB reageerde niet officieel op de Duitse inval. De afdelingen probeerden na mei 1940 hun werk gewoon voort te zetten. De mogelijkheden voor de RKVB om het werk voort te zetten werden echter, volgens RKVB-bestuurslid Van Nispen-Sevenaer in haar naoorlogse verslag, wel zeer beperkt. Volgens haar werd het Centraal Bureau van de RKVB door de bezetter in de gaten gehouden en spoedig gesloten. Uit het concept voor de RKVB-jubileumuitgave Van onmondig tot mondiaal wordt echter duidelijk dat het Centraal Bureau in Utrecht na mei 1940 weliswaar weinig actief was, maar pas in 1942 werd gesloten en naar het adres van de landelijk secretaresse in Maastricht werd verplaatst.

Uit het laatst verschenen jaarverslag van de RKVB (1940-1941) blijkt dat de plaatselijke afdelingen hun werk zo goed en kwaad als het kon probeerden voort te zetten. Deze houding wordt mooi gekarakteriseerd door het verslag van de afdeling Venlo: ‘Ondanks de zoo sterk gewijzigde omstandigheden is de RK-Vrouwenbond zijn taak zooveel mogelijk blijven voortzetten’. De afdeling Roermond meldde dat het aantal leden vrijwel hetzelfde was gebleven en constateerde ‘dat ook het oorlogsjaar 1940-1941 voor onze vereniging ’n vruchtbaar jaar was’.

Het is onduidelijk hoe de RKVB heeft gereageerd op de meldingsplicht voor niet-commerciële verenigingen en stichtingen. De meeste katholieke organisaties meldden zich op advies van het Nederlandse episcopaat vrijwillig aan. Het is aannemelijk te veronderstellen dat de RKVB niet van deze lijn afweek.

Het commissariaat Müller-Lehning ging in de periode 1940-1941 over tot de opheffing van 800 katholieke verenigingen en stichtingen. Als reactie daarop stelde het episcopaat vanaf 1941 dat de met de katholieke kerk verbonden verenigingen en stichtingen formele onderdelen van de kerk waren, waartegen het commissariaat Müller-Lehning niets zou mogen ondernemen. Het commissariaat liet daarna rooms-katholieke organisaties ongemoeid.

Uit het functioneren van de RKVB gedurende de bezettingstijd en het ontbreken van enig spoor richting mogelijke bemoeienissen van de bezetter met de bond, moeten we concluderen dat deze beperkt zijn gebleven of niet hebben plaatsgevonden.

Tot nog toe werd aangenomen dat de RKVB in 1942 uit het openbare leven verdween of zelfs door de bezetter was opgeheven.6 Uit archiefstukken blijkt echter dat het landelijk bestuur van de RKVB tijdens de bezetting gewoon doorvergaderde en er bij de afdelingen telkens opnieuw op aandrong activiteiten te organiseren. Het RKVB-bestuur wilde haar afdelingen overeind houden om na de Duitse bezetting als sterke landelijke katholieke organisatie te kunnen herrijzen als tegenwicht voor de neutrale en ‘anti-christelijke’ vrouwenbonden. In september 1943 vroeg het bestuur derhalve de diocesane bonden aan te geven ‘wat u van plan bent uw leden te bieden’.

De reactie op het laatste verzoek was minimaal. De meeste diocesane bonden leken in een winterslaap te verkeren. In juli 1944 stapten de diocesane bonden van Utrecht, Roermond en Breda uit het landelijk bestuur. Alleen de afdelingen Den Bosch en Haarlem bleven over, maar waren verder nauwelijks actief. Het landelijk bestuur bleef echter gewoon doorvergaderen over de begroting voor 1944 en het financieel verslag over 1943.

De Bond van Sociaal-Democratische Vrouwen Clubs

De Bond van Sociaal-Democratische Vrouwen Clubs (BSDVC) werd in 1908 als nevenorganisatie van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) opgericht. In 1925 werd de ‘sekretares’ van de BSDVC lid van het SDAP-bestuur. In de jaren dertig kende de BSDVC 200 afdelingen en rond de 12.500 leden. Het is onduidelijk hoeveel leden de BSDVC kort voor de bezetting had. 21.678 van de 77.256 SDAP-leden waren vrouwen, maar waarschijnlijk was een groot deel van hen geen BSDVC-lid.

Via een door Seyss-Inquart ondertekende verordening werd de SDAP op 20 juli 1940 onder leiding gesteld van Rost van Tonningen, de gemachtigde van de rijkscommissaris voor de marxistische partijen en de Arbeiderspers. In de specificatie van zijn volmacht, 66 II, werd de BSDVC met name genoemd.

Rost van Tonningen poogde het partijbestuur ertoe te bewegen onder zijn leiding mee te werken aan een vernieuwde SDAP. Rost van Tonningen zei de waarden van de SDAP in de nieuwe organisatie te willen behouden, in het bijzonder die van de culturele organisaties en de BSDVC.

Op maandag 22 juli kwam het SDAP-bestuur tot de conclusie dat er na de overname van de partij door Rost van Tonningen voor hen maar één mogelijkheid overbleef: op eervolle wijze hun functies ter beschikking stellen.

De volgende dag probeerden Rost van Tonningen en de NSVO-leidsters Julia op ten Noort en E. Keers-Lasseur, [secretaris-penningmeester] Ribbius Peletier te bewegen haar werkzaamheden voor de BSDVC voort te zetten. Volgens Rengelink, de schrijver van het verslag over de werkzaamheden van de SDAP-leiding in de bezettingstijd, heeft Ribbius Peletier bij die bespreking ‘op even minzame als besliste wijze de attenties van den Heer R.v.T. van de hand gewezen en hem een lelijk blauwtje laten lopen’.

Ribbius Peletier is in haar eigen verslag over het onderhoud wat uitvoeriger. Eén van de twee NSVO-vrouwen die Rost van Tonningen vergezelden, E. Keers-Lasseur, had samen met haar op school gezeten. Haar aanwezigheid diende er volgens Ribbius Peletier voor om het gesprek een vertrouwelijk karakter te geven. Ribbius Peletier deelde aan Rost van Tonningen mee dat het haar het beste leek de organisatie op te heffen. Rost van Tonningen poogde met beloften en persoonlijke complimenten Ribbius Peletier desondanks over te halen de BSDVC onder haar leiding verder te laten functioneren. Alhoewel Ribbius Peletier zich op het standpunt stelde dat een sociaal-democraat niet onder het toezicht van een nationaal-socialist zou willen en kunnen werken, beloofde Rost van Tonningen haar dat zij alle vrijheid zou hebben naar eigen inzicht te werken en dat ze het socialisme zou kunnen blijven propageren.

Na anderhalf uur vertrok Rost van Tonningen om met partijvoorzitter Vorrink te gaan spreken. Op ten Noort en Keers-Lasseur die tijdens het gesprek hadden gezwegen, bleven bij Ribbius Peletier achter. Zij poogden haar opnieuw met argumenten te overtuigen en gingen daarbij volgens Ribbius Peletier zover, dat één van hen met tranen in de ogen verklaarde ‘wel te kunnen grienen dat ik weigerde’.

Nadat andermaal duidelijk was geworden dat Ribbius niet zou meewerken aan de ‘nieuwe’ BSDVC, vroegen zij haar om raad omtrent het opzetten van een vrouwenorganisatie. Zij stuurde hen met kluitjes in het ruit en constateerde met voldoening dat in de archiefkasten niets meer over de BSDVC te vinden zou zijn, aangezien de stukken op 14 mei waren verbrand.

Een aantal dagen later sprak Ribbius Peletier op het bureau met Mr. Dr. De Rijke, die zich op de hoogte kwam stellen van de financiële toestand van de BSDVC voor de komende liquidatie. Bij dezelfde gelegenheid verscheen opnieuw één van de NSVO-vrouwen met het bekende verzoek.

De Rijke rapporteerde aan Rost van Tonningen over de financiële situatie van de bond. Tijdens het onderhoud tussen hem en Ribbius Peletier bleek dat in tegenstelling tot wat secretaris Woudenberg had gezegd, de Stichting de Born – het voormalige vormingscentrum van de BSDVC en een lokatie voor kampen voor werkloze meisjes – geen onderdeel was van de BSDVC. Het centrum De Born in Bennekom bleek eigendom te zijn van Ribbius Peletier. Dat is waarschijnlijk ook de verklaring voor het feit dat in De Born gedurende de eerste oorlogsjaren nog meisjeskampen werden georganiseerd.

De ‘Stichting tot het exploiteren van vacantiehuizen’ en ‘Tiele Wibautfonds’ bleken wel onderdeel van de BSDVC te zijn. De gelden van de bond, de stichting en het fonds – in totaal fl. 2.141,68 – werden naar het kantoor van Rost van Tonningen overgemaakt.

Ribbius Peletier hield tijdens de bezettingsjaren contact met twee niet nader genoemde vrouwenclubs, die hun bijeenkomsten met een kring van vertrouwde leden bleven voortzetten. Andere clubs kwamen bij bijzonder gelegenheden als de Meiviering en het Kerstfeest bijeen. In 1941 ontvingen de clubs ter gelegenheid van de viering van de eerste mei een aantal begoniaknollen om uit te delen aan hun leden. Daarmee konden de BSDVC-vrouwen met rode bloemen hun verbondenheid en trouw aan de socialistische beweging laten zien. In de komende bezettingsjaren verdween, bij gebrek aan knollen, dit symbool.7

De Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap

De Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap (VVGS) ontstond in 1930 na een fusie tussen de Unie voor Vrouwenbelangen en de Bond van Staatsburgeressen. De nieuw ontstane organisatie bepleitte de strijd voor gelijkberechtiging van mannen en vrouwen, en de politieke participatie van vrouwen. In de jaren twintig beschikten de nog niet gefuseerde organisaties in totaal over 33.800 leden. In de jaren dertig daalde het ledental snel, tot 2068 in 1940.

Het VVGS-bestuur kwam in juni 1940 voor het eerst sinds de Duitse inval bij elkaar. Het ‘meende niet anders te kunnen besluiten, dan ons werk voorlopig te laten sluimeren en ook het verschijnen van het maandblad (Vrouw en Gemeenschap) stop te zetten’. In september besloot het bestuur de activiteiten voorlopig te staken. Het is enigszins verbazingwekkend dat de VVGS zich niet ophief. Al vanaf 1933 werd er in Vrouw en Gemeenschap geschreven over het dreigende antifeministische karakter van het Hitler-regime. De VVGS was daarnaast, zowel als organisatie als via de individuele leden, al enkele jaren actief in de vrouwenvredesbeweging. Rosa Manus, feministe van het eerste uur, was zich als joodse zeer bewust van de dreiging die uitging van het nationaal-socialisme: in 1933 had zij het Neutraal Comité voor Vluchtelingen opgericht, ter ondersteuning van joodse, politieke en pacifistische vluchtelingen.

Het lijkt erop dat verdeeldheid binnen het hoofdbestuur de vereniging verlamde. In het boek Vrouwenstemmen. 100 jaar Vrouwenbelangen, 75 jaar vrouwenkiesrecht wordt de discussie als volgt samengevat: ‘De een vond dat “het werk der Vereeniging hoofdzakelijk staatsrechtelijk” [was] en “[men dus] moet erkennen thans niets te kunnen doen”. De ander was van mening dat juist nu de leden niet in de steek gelaten konden worden en samenwerking met andere verenigingen gezocht moest worden’.

De stilte riep protest op bij leden. Een Amsterdams lid schreef in augustus 1940: ‘Waarom horen wij, leden, niet meer van u? Wij moeten toch veronderstellen dat u paraat blijft. Sinds april is ons orgaan niet verschenen. Waarom? Wij hebben als organisatie toch niets met politiek dus met de bezetting te maken.’ Een op het eerste gezicht vreemde opmerking, die echter vlijmscherp de algemene hoop aangaf dat het leven onder de bezetting gewoon zou blijven doorgaan. Ondanks de steeds herhaalde discussie over het al dan niet opnieuw beginnen met de uitgave van Vrouw en Gemeenschap, bleef de vereniging als geheel stil liggen. De laatste hoofdbestuursvergadering waarvan notulen aanwezig zijn in het VVGS-archief vond plaats op 14 maart 1942. Diverse bestuursleden stapten tijdens deze vergadering op. Volgens Vrouwenstemmen zou het hoofdbestuur hierna waarschijnlijk uiteen gevallen zijn. Dit klopt niet: uit het ‘Verslag over het tijdvak sept. 1943 – sept. 1945’ blijkt dat het hoofdbestuur in ieder geval tot de winter van 1944-1945 bij elkaar kwam. In 1943 werd nog een Algemene Jaarvergadering gehouden, en daar werd definitief besloten ‘gedurende den oorlog geen openbare bijeenkomsten meer te houden’.

Het lijkt er echter op dat de afdelingen nog wel functioneerden. Het hoofdbestuur had de afdelingen geadviseerd vergaderingen te houden met maximaal twintig personen, het liefst bij de leden thuis, waarin gesproken zou kunnen worden over ‘ historischen, litteraire of economische onderwerpen’. Zolang de onderwerpen niet politiek waren, werd dit toegestaan door het commissariaat Müller-Lehning.

Als gevolg van de antijoodse maatregelen bereikte de VVGS op 10 april 1941 de eerste opzegging, van hoofdbestuurslid Goudsmit. Op de Algemene Vergadering van 27 april 1941 deelde presidente Van Gelder-Droste, mee dat ’tot het leedwezen van het HB’ de heer Goudsmit had bedankt voor zijn lidmaatschap. Over de reden hiervan, namelijk het verbod voor joden om de belangen van anderen dan joden te behartigen, werd op de Algemene Vergadering niet gerept. Er volgden meerdere afzeggingen, maar hierop werd geen officiële reactie gegeven.8

De Nederlandsche Vereeniging van Huisvrouwen

De Nederlandse Vereeniging van Huisvrouwen (NVvH) werd in 1912 opgericht en was bedoeld als een vakorganisatie van huisvrouwen. De nadruk lag op activiteiten die met huishoudelijk werk van doen hadden, politieke en religieuze neutraliteit werd sterk benadrukt. In 1940 waren er 101 afdelingen. Het aantal leden is onbekend. Wel is zeker dat in de jaren dertig het ledental langzaam afnam, mede als gevolg van de economische crisis.

In het eerste nummer van het Maandblad van de NVvH dat na 10 mei verscheen, schreef de presidente van de NVvH, Ch. Neytzell De Wilde-Mac Gillavry: ‘Gij hebt allen steeds getoond ook in moeilijke tijden op waardige wijze Uw taak als huisvrouw te kunnen en willen vervullen. Ik ben ervan overtuigd, dat de verzorging van gezin en huis Uw volle toewijding zal blijven ondervinden, en dat daarbuiten ook door U gedaan zal worden wat van U verwacht mag worden. Wij moeten echter bedenken, dat er ook in deze tijd een taak voor onze Vereeniging is te vervullen; er is veel leed te lenigen, veel opbeuring en hulp noodig, zowel in moreelen als in materieelen zin. Laten wij dus aanpakken wat onze hand te doen vindt. Hopende, dat elk op haar post zal blijven (…)’.

Geheel volgens de traditie ging de NVvH dan ook meteen aan het werk. Er werd een linnengoedaktie gestart, waarbij NVvH-leden een stuk linnengoed doneerden, dat vervolgens werd verdeeld onder andere leden in de ‘geteisterde plaatsen’. Ook werden plannen gemaakt voor de opvang van kinderen uit de ‘getroffen gebieden van ons land’. Deze taak werd snel overgenomen door de Evacuatie Commissie van de overheid, maar de linnengoedactie was een doorslaand succes.

Ook met het gewone werk werd zoveel mogelijk doorgegaan. Het Maandblad publiceerde vele artikelen over het besparen op gas en water, de inmaak en het gebruik van een hooikist. De functie van de NVvH als intermediair tussen overheid en huisvrouwen bleef bestaan. De directeur van het Rijksbureau voor de distributie van Textielgoederen door den handel schreef regelmatig stukjes in het Maandblad, en ook deed men verslag van de reacties van overheidsinstanties op verzoeken van de NVvH. Veel taken werden echter gaandeweg overgenomen door overheidsinstanties als de Commissies inzake huishoudelijke voorlichting en gezinsleiding, de Economische Voorlichtingsdienst en de enkele weken na de capitulatie ingestelde Voedingsraad die adviezen gaf over de samenstelling van het distributiepakket.

De vereniging ondervond veel hinder van het verbod op vergaderingen van meer dan twintig personen; het afdelingswerk werd daardoor vrijwel lamgeslagen. In september 1940 berichtte het hoofdbestuur aan de afdelingen dat er toestemming was voor het houden van vergaderingen, ‘mits er geen onderwerpen van politieken aard’ werden behandeld. Het bestuur drong er bij de afdelingen op aan zich strikt aan de regels te houden. De presidente betoogde in april 1941 op de Algemene Vergadering nog dat dat niet zo moeilijk was, ‘daar onze Vereeniging zich niet met politiek bezig houdt’. Het hoofdbestuur vestigde de aandacht van de afdelingsbesturen op de meldingsplicht voor niet-commerciële verenigingen. ‘Aangezien ook verscheidene onzer afdeelingen, eenig vermogen bezitten, lijkt het ons nodig dat elke afdeling [zich] afzonderlijk [aanmeldt].’ De NVvH deed haar best de verordeningen zo goed mogelijk na te leven en conflicten met de overheid te vermijden. Ook het bevel om het beschermvrouwschap van Hare Majesteit de Koningin niet langer naar buiten te vermelden werd zonder meer opgevolgd en direct doorgegeven aan de afdelingsbesturen.

De NVvH kwam na de invoering van de antijoodse maatregelen toch nog in conflict met de overheid. Een van de eerste effecten was de terugtreding van secretaresse-penningsmeesteresse Oppenheimer uit het hoofdbestuur in mei 1941. Zij schreef omzichtig aan de afdelingen: ‘Overwegingen van persoonlijken aard of voortvloeiend uit de geschiedenis of de traditie onzer Vereeniging kunnen thans niet meer gelden: er kan slechts rekening gehouden worden met den feitelijken toestand, die mijn aftreden gewenscht maakt’. In dezelfde zomer verdween de vermelding van redactrice Emmy Belinfante uit het Maandblad, zij nam pas in december 1941 officieel afscheid.

In dezelfde maand bleek de NVvH de aandacht van het bureau Müller-Lehning op zich gevestigd te hebben. Inmiddels was verordening 199/1941 van kracht, die joden verbood na 1 november 1941 nog lid te zijn van niet-commerciële verenigingen. Na de bekendmaking van deze verordening overwoog het hoofdbestuur over te gaan tot opheffing, waartoe overleg met enkele afdelingvoorzitsters werd gevoerd. De meerderheid meende echter dat het beter was in een tijd van zoveel ‘verkeerde’ propganda de leden de steun van de vereniging niet te onthouden. Controle op het uittreden van de joodse leden was niet bevolen en zou dus worden nagelaten.

Dat men er niet zo gemakkelijk vanaf kwam, bleek toen het hoofdbestuur een brief kreeg van het commissariaat Müller-Lehning. Het bureau had in het tijdschrift van de afdeling Assen de naam van een joodse redactrice ontdekt en eiste dat het hoofdbestuur binnen drie dagen opgave deed van de namen, functies en adressen van alle leden van de afdelingsbesturen. Bovendien moest het hoofdbestuur een circulaire aan de afdelingen sturen met de mededeling dat de joodse leden ‘onverwijld uit de plaatselijke afdeling dienen te worden verwijderd’. De afdelingsbesturen moesten voor 28 december 1941 bevestigen dat dit ook inderdaad gebeurd was.

Het hoofdbestuur schreef aan het bureau Müller-Lehning dat men bezig was de gevraagde informatie te verzamelen, maar dat het onmogelijk was om binnen een termijn van drie dagen aan de gestelde eisen te voldoen. Het bestuur wees er wat betreft het tweede punt op dat het door het grote aantal leden onmogelijk was na te gaan, welke personen wél en welke níet onder de bepalingen van de verordening vielen. Bovendien werd opgemerkt dat in artikel 199/1941 de ‘plicht tot bedanken aan Joodsche leden zelf [werd] opgelegd’, waardoor de besturen niet verantwoordelijk gesteld konden worden. Het bureau antwoordde met een kort briefje waarin het protest van het hoofdbestuur als onzinnig werd afgedaan omdat de bevelen niet op grond van verordening 199/1941 waren gegeven, maar op grond van verordening 41/1941, die de commissie het recht gaf alle maatregelen te treffen die ‘binnen het kader van de herordening van het vereenigingswezen’ noodzakelijk waren. Dit ging vergezeld met de dreiging van gevangenisstraf en boetes als de aanwijzingen niet nageleefd zouden worden. Er bleef het hoofdbestuur nu weinig anders over dan de afdelingsbesturen te verzoeken ‘aan den commissaris te berichten, dat door uw bestuur aan de bepalingen is voldaan’.

Daar bleef het echter niet bij. Een hoofdbestuurslid had inmiddels vernomen dat de bezetter van plan was de NVvH om te vormen tot een rijksinstelling. Alle redenen tot voortbestaan zouden daarmee verdwijnen. Daarnaast was uit het voorgaande gebleken dat de instandhouding van een omvangrijke organisatie niet geheel ongevaarlijk was. Welke overweging ook de doorslag gaf, het besluit tot opheffing was gevallen binnen het hoofdbestuur. Maar voor opheffing was toestemming nodig van het commissariaat, en het leek niet waarschijnlijk dat die zonder meer gegeven zou worden. Het plan was vervolgens om het bevel tot uitzetting van de joodse leden als voorwendsel te gebruiken. De afdelingsbesturen werden informeel te kennen gegeven dat opzeggingen van het lidmaatschap het hoofdbestuur zeer welkom zouden zijn.

Toen er inderdaad veel opzeggingen kwamen, besloot het hoofdbestuur in februari 1942 een Buitengewone Algemene Vergadering te houden, ‘om de toestand nader onder ogen te zien’. In maart 1942 werd de noodzaak van een vergadering in een circulaire aan de afdelingsbesturen als volgt toegelicht: ‘Het zal u bekend zijn, dat sinds geruimen tijd het werk van het HB en de afdelingen door de moeilijke omstandigheden groote bezwaren is gaan ondervinden; op het oogenblik bedanken vele leden voor haar lidmaatschap en verschillende afdelingen zijn daardoor reeds opgeheven. Gezien ook de groote wijzigingen die zich hebben voorgedaan in de taak der Vereeniging en de wijze waarop deze vervuld kan worden, meenen wij als HB-leden, dat het oogenblik gekoomen is om met u te overleggen of het moogelijk is de werkzaamheden op den huidigen voet voort te zetten of dat wij moeten inzien, dat er onder de tegenwoordige toestand geen taak meer voor ons is weggelegd en wij tot ontbinding der Vereeniging moeten besluiten’.

Op de Buitengewone Algemene Vergadering, die plaats vond op 23 april 1942, betoogde de presidente dat de vele bedankjes duidelijk hadden aangetoond dat er geen taak meer was weggelegd voor de vereniging, ook omdat veel werk inmiddels door overheidsinstanties was overgenomen. Bij stemming bleek dat de meerderheid met het hoofdbestuursvoorstel om de vereniging op te heffen, instemde. Daar zal de stellingname van het hoofdbestuur, dat in ieder geval wilde opstappen, niet vreemd aan zijn geweest.

Daarna volgde de liquidatie. Het vermogen van de NVvH werd in beslag genomen, maar het grootste deel van de inventaris kon worden gered. De presidente en de secretaresse smaakten het genoegen uit de mond van de NSB-liquidateur te horen: ‘Och dames, hoe kon u nu zo dom zijn zich op te heffen? Wist u dan niet dat men van de vereniging een officiële instelling wilde maken?’.9

De Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen

De Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen werd in 1930 opgericht en stelde zich ten doel de belangen van boerinnen en plattelandsvrouwen te bevorderen, vanuit een politiek en levensbeschouwelijk neutraal standpunt. In 1940 had de bond 14.000 leden.

De Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen probeerde na mei 1940 zo gewoon mogelijk door te functioneren, want ‘juist nu’, zo schreef algemeen secretaresse Wiersma-Risselada aan de afdelingsbesturen, ‘is er behoefte aan praktische voorlichting’. Daar was wel over getwijfeld, maar pragmatische overwegingen gaven waarschijnlijk toch de doorslag. In de eerste uitgave van de Plattelandsvrouw tijdens de bezetting, riep de Boerinnenbond haar leden op: ‘Leden, houdt, wat er nog kome, Uw lampen brandende. Blijf trouw met uw ganser hart in Nederlandse zin tot heil van ons Platteland en zijn bewoners, en kon het zijn tot heil van ons allen dierbaar Vaderland’.

De bond ontplooide nieuwe activiteiten, aangepast aan de veranderde omstandigheden. De bond hielp getroffen leden bij het aanvullen van de verloren gegane huisraad en er werden EHBO-cursussen gegeven. Ook de oude werkzaamheden gingen, onder steeds moeilijker wordende omstandigheden, zoveel mogelijk door.

Waarschijnlijk heeft de bond zich aangemeld bij het bureau Müller-Lehning, want later bleek ze daar bekend. Ook zal de toestemming voor het houden van vergaderingen over ‘niet-politieke’ onderwerpen verkregen zijn.

De confrontatie met de bezetter ging voor de Boerinnenbond via de NSB. De bond bewoog zich namelijk op het terrein van het Nederlands Agrarisch Front (NAF), de agrarische mantelorganisatie van de NSB die als doel had alle agrarische organisaties en zaken te verenigen. In het voorjaar van 1941 weigerde de bond mee te werken aan een radio-uitzending van het NAF, op grond van de in de statuten vastgelegde politieke neutraliteit. Vervolgens marcheerde de NSB binnen bij de Algemeene Jaarvergadering in mei, in een poging de leden te intimideren. De bond bleef echter iedere medewerking weigeren, waarna het bureau Müller-Lehning op 9 juli een brief schreef, waarin de bond verzocht werd ‘als buitengewoon Hoofdbestuurslid op [te] nemen mevr. Eggink-Lovink. De taak van Mevrouw Eggink zal dienen te bestaan uit het streven naar een nauwere samenwerking met het Nederlands Agrarisch Front’. Toen de Boerinnenbond nog altijd op basis van de ‘politieke neutraliteit’ iedere medewerking weigerde kwam er nog een brief, waarin Müller-Lehning meldde dat hij Eggink-Lovink had benoemd tot buitengewoon lid van het hoofdbestuur. De bezwaren van de bond achtte hij niet opportuun ‘na het zich ontbinden der op democratisch parlementair standpunt staande politieke partijen’. De bond ging echt niet over tot installatie van het kersverse hoofdbestuurslid, waarna er een bevel volgde. Op één persoon na bedankten alle hoofdbestuursleden vervolgens als lid van de bond, waarmee ook de functies van deze hoofdbestuursleden vervielen. De presidente, Wageningen-Drewes, motiveerde dat in een rondschrijven als volgt: ‘Op grond van de beschikking van den Commissaris is het karakter van de Bond veranderd. Ik vrees, dat daardoor de handhaving van [de politieke neutraliteit] niet gewaarborgd zal kunnen worden’. De telegrammen met afzeggingen van leden kwamen vervolgens bij stapels binnen in Hotel Terminus in Utrecht, waar de benoeming van Eggink-Lovink plaatsvond. Er waren slechts twee hoofdbestuursleden aanwezig. Uiteindelijk bleek tachtig à negentig procent van de leden te hebben bedankt. Ondanks dat er een uitnodiging voor de installatie was gestuurd aan de districtsinspecteur, kwam hij niet opdagen, omdat deze hem te laat bereikte. Uit deze uitnodiging en de brief van Müller-Lehning zelf blijkt dat het commissariaat de gelijkschakeling van de Boerinnenbond met grote belangstelling volgde.

Na het aftreden van het hoofdbestuur werd Eggink-Lovink benoemd tot presidente; haar officiële titel was Landvrouwenleidster. De activiteiten werden ingeperkt tot het huishoudelijk terrein, en buiten de contacten met de NSVO en het NAF lijken de externe contacten nihil te zijn geweest. In augustus 1941 ging de nieuwe Boerinnenbond op in de Landstand, de opvolger van het NAF.10

Nazificering?

In het nationaal-socialistische Duitsland probeerde de overheid haar ideeën over de taak en maatschappelijke functie van vrouwen via de Nationalsozialistische Frauenschaft en het Deutsche Frauenwerk over te brengen. Het werk van deze organisaties breidde zich uit tot de bezette gebieden die tot het grote Duitse rijk gerekend werden.

In het bezette Nederland zou, als het Duitse model stringent gehanteerd was, door de bezettende macht moeten zijn gestreefd naar één nationale vrouwenorganisatie, met als voorbeeld de NSF. Alhoewel Rost van Tonningen als gemachtigde van de rijkscommissaris voor de marxistische partijen en de Arbeiderspartij, de opdracht kreeg ‘de vrouwen’ te nazificeren, is er in Nederland onder nationaal-socialistisch bewind geen sprake geweest van een alomvattende, specifieke beleidsvoorbereiding en uitvoering ten aanzien van vrouwenorganisaties.

Naar analogie met het Duitse model werd er, met name door nationaal-socialistische vrouwen zelf, wel gestreefd naar één overkoepelende, landelijke organisatie. De NSVO leek na de oorlogsdagen van mei 1940, onder invloed van Rost van Tonningen en Op ten Noort, zaak te maken van het streven naar één nationale vrouwenorganisatie.

De eerste poging daartoe was de nazificering van de BSDVC. Rost van Tonningen kreeg het bewind over de SDAP en haar nevenorganisaties, maar slaagde er niet in deze organisaties over te nemen zonder dat daarop een uitloop van partijfunctionarissen en leden volgde.

Eenzelfde verschijnsel trad in een later stadium op bij de Bond voor Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen. In eerste instantie lijkt het erop dat deze organisatie werd overgenomen en ingepast in het nationaal-socialistische kader. Maar als alle leden die zich niet aangetrokken voelen tot de ‘nieuwe orde’ bedanken, is een dergelijke overname dan nog wel te beschouwen als een ‘vormgeven van de samenleving’? Het lijkt erop dat door de machtsovername bij de Boerinnenbond het doel van de nazificerende activiteiten, het winnen van het Nederlandse volk voor de nationaal-socialistische ideologie, voorbij werd geschoten.

Daar komt nog bij dat beide organisaties niet werden genazificeerd als vrouwenorganisaties, maar als organisaties die zich op een bepaald maatschappelijk terrein bewogen.

De overige organisaties werden niet getroffen door directe nazificeringspogingen. Zij kregen wel te maken met op de nationaal-socialistische ideologie gebaseerde maatregelen en verordeningen die hun functioneren bemoeilijkten: achtereenvolgens de controle door het commissariaat Müller-Lehning op niet-commerciële verenigingen en stichtingen, de regels omtrent het behouden van vergaderingen en de antijoodse maatregelen. Bij verschillende verenigingen vond na de invoering van een nieuwe maatregel of verordening de afweging plaats of men als organisatie wel zou kunnen blijven functioneren.

Van alle onderzochte organisaties lijkt de RKVB het meest geruisloos door de bezettingstijd heen te zijn gekomen. De bond paste zich telkens opnieuw aan, mede omdat men na de bezetting opnieuw als een krachtige organisatie wilde verschijnen. De antijoodse maatregelen kon men over het hoofd zien omdat de bond geen joodse leden had. De indruk ontstaat dat door de bezettingsomstandigheden de ene na de andere afdeling haar activiteiten op eigen initiatief heeft gestaakt.

Voor de NVvH geldt dat hoewel er plannen bestonden om deze vereniging te nazificeren omdat zij zich op overheidsterrein bewoog, dit voorkomen werd doordat de vereniging zich tevoren ophief. Het is ook mogelijk dat er een soort ’tot hier en niet verder’-situatie ontstond toen de vereniging weigerde aan de antijoodse maatregelen te gehoorzamen.

De VVGS ontplooide als organisatie geen bijzondere activiteit, maar werd ook niet geconfronteerd met speciale aandacht van het bureau Müller-Lehning. De VVGS werd in de bezettingstijd verlamd door de interne discussies over het nut van een politieke vrouwenorganisatie in ‘deze’ tijd. Dat de vereniging niet direct werd aangepakt, had mogelijk te maken met de opvatting dat politiek was voorbehouden aan mannen. Derhalve werden vrouwen die zich op politiek terrein bewogen, genegeerd of niet serieus genomen.

In het algemeen valt bij alle organisaties op dat er vrijwel geen sprake was van een principiële houding tegen het nieuwe nationaal-socialistische bestuur. Men probeerde zich telkens opnieuw aan maatregelen en verordeningen aan te passen. Dit blijkt duidelijk bij de VVGS, een organisatie waarvan men vanuit haar verleden zou kunnen verwachten dat ze zichzelf op zou heffen, maar die desondanks zelfs in de antijoodse maatregelen geen reden zag om tot die stap over te gaan.

Bij de twee belangenorganisaties – de NVvH en de Bond voor Boerinnen en Plattelandsvrouwen – brak wel het moment van ’tot hier en niet verder’ aan. De NVvH zag in de antijoodse maatregelen en de mogelijke omvorming tot rijksinstelling een aanleiding om haar leden duidelijk te maken dat een leegloop van de vereniging haar goed zou uitkomen. De NSB-liquidateurs troffen daarop een leeggelopen vereniging zonder bestuur aan.

Eenzelfde verschijnsel trad op bij de Bond voor Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen. Toen het Nederlands Agrarisch Front probeerde de Boerinnenbond onder haar controle te brengen, bedankte het merendeel van de bestuursleden. De leden zegden eveneens in grote meerderheid hun lidmaatschap op.

In vergelijking met de andere organisaties hadden de NVvH en de Boerinnenbond geen politieke of levensbeschouwelijke achtergrond. Waarschijnlijk dacht de bezetter ze daarom gemakkelijker om te kunnen vormen tot eigen organisaties. De NVvH en de Boerinnenbond bleven echter vasthouden aan hun neutraliteitsbeginsel.

We kunnen concluderen dat de doelstelling van de Duitse bezetter om de Nederlandse vrouwen in één nationaal-socialistische organisatie te verenigen, niet gehaald is. Deze doelstelling was dan ook weinig concreet uitgewerkt. Rost van Tonningen kreeg de vage opdracht ‘de vrouwen’ te nazificeren, maar kwam daar nauwelijks aan toe omdat hij er al niet in slaagde de eerste doelstelling, de nazificering van ‘de arbeiders’, te bereiken.

De NSVO was een te extreme organisatie om veel Nederlandse vrouwen aan te trekken. Nadat NSB-leider Mussert in februari 1941 de eigenzinnige leiding verving, werd geen werk meer gemaakt van het streven naar één vrouwenorganisatie.

Als belangrijkste reden voor het mislukken van de nazificeringspogingen moet evenwel het Nederlandse volk, in deze de Nederlandse vrouwen, worden gezien. Zij voelden zich in overgrote meerderheid niet aangetrokken tot een nationaal-socialistische organisatie, en zegden in groten getale hun lidmaatschap van een vrouwenorganisatie op als deze te veel in nationaal-socialistische richting bewoog.

Personalia

Stefan Louwers studeerde in 1996 af in de nieuwste geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

Postscriptum

Katja Happe, Veel valse hoop. De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945 (Amsterdam en Antwerpen 2018) 83, 411.

“In feite werden de Duitsers nog steeds als vijandelijke bezetters beschouwd die het grootste deel van de bevolking het liefst zo gauw mogelijk weer zag verdwijnen. De nationaalsocialistische ideologie en de politieke idealen van de bezetters waren maar door een klein deel van de bevolking omhelst. (82)”

82. Hierop gaat Stefan Louwers nader in aan de hand van het voorbeeld van de Nederlandse vrouwenorganisaties: Louwers, Stefan, ‘De nazificering van vrouwenorganisaties in Nederland’, in: Flap, Henk; Arts, Wil (red.), De organisatie van de bezetting, Amsterdam 1997, p. 99-115.

Katja Happe, Viele falsche Hoffnungen. Judenverfolgung in den Niederlanden 1940–1945 (Paderborn 2017) 60, 284.

“Grundsätzlich wurden die Deutschen noch immer als feindliche Besatzer gesehen, die der größte Teil der Niederländer möglichst schnell wieder verschwinden sehen wollte. Eine Übernahme der nationalsozialistischen Ideologie und der politischen Ideale hatte nur bei den wenigsten Niederländern stattgefunden. (82)”

82. Darauf geht Stefan Louwers am Beispiel der niederländischen Frauenvereine ein: Louwers, Stefan: De nazificering van vrouwenorganisaties in Nederland, in: Flap, Henk/Arts, Wil (Hgg.): De organisatie van de bezetting, Amsterdam 1997, S. 99-115.

Christine Gundermann, Die versöhnten Bürger. Der Zweite Weltkrieg in deutsch-niederländischen Begegnungen 1945-2000. Zivilgesellschaftliche Verständigungsprozesse vom 19. Jahrhundert bis zur Gegenwart. Deutschland und die Niederlande im Vergleich, Band 13 (Münster 2014) 457.

VII. Anhang

3. Literatur

Louwers, Stefan: De nazificering van vrouwenorganisaties in Nederland, in: Hendrik D. Flap und Wil Arts (Hg.): De organisatie van de bezetting, Amsterdam 1997, S. 99-115.

Carianne van Dorst, Tobben met de was. Een techniekgeschiedenis van het wassen in Nederland 1890-1968 (Eindhoven 2007) 117-118, 179. Proefschrift.

“De eerste organisatie die niet langer door wenste te gaan was de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwen Clubs, die zich tijdens het interbellum sterk had gemaakt voor wasserijen voor arbeidersvrouwen. Zij hief zich al in juli 1940 op, nadat prominent NSB-lid Rost van Tonningen had geprobeerd het partijbestuur ertoe te dwingen onder zijn leiding mee te werken aan een vernieuwde SDAP. (72)”

72. S. Louwers, ‘De nazificering van vrouwenorganisaties in Nederland’ in H. Flap en W. Arts, De organisatie van de bezetting (Amsterdam 1997) 105.

“Ook het bestuur van de Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen nam in de zomer van 1941 het besluit af te treden. Zij wenste de verordende nauwe samenwerking met het Nederlands Agrarisch Front, de agrarische mantelorganisatie van de NSB, niet aan te gaan. In navolging van de bestuursleden zegden vele bondsleden hun lidmaatschap op. (73)”

73. Louwers, ‘De nazificering van vrouwenorganisaties’, 110-111.

“De Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen hief zich in april 1942 op. Het was Joodse burgers vanaf oktober 1941 niet langer toegestaan om lid of actief te zijn voor verenigingen. Het bestuur van de vereniging moest toezien op aanmelding van en opzegging aan Joodse leden. Penningmeester Oppenheimer en redactrice Emmy Belinfante van het Maandblad legden in 1941 noodgedwongen hun functies neer. Toen een lid van het hoofdbestuur vernam dat de bezettingsmacht de grote
vrouwenorganisatie beoogde om te vormen tot een rijksinstelling, besloot het bestuur tenslotte de vereniging op te heffen. (75)”

75. Louwers, ‘De nazificering van vrouwenorganisaties’, 107-110.

J.W. Schot, H.W. Lintsen, Arie Rip en A.A.A. de la Bruhèze, Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel 4. Huishoudtechnologie, medische techniek (Zutphen 2001) 85-86.

“De oorlogseconomie maakte het huishouden tot hoeksteen van het beleid. Op
directe en indirecte wijze probeerde het Duitse regime greep te krijgen op het
maatschappelijke leven in Nederland. (8)”

8. Stefan Louwers, ‘De nazificering van vrouwenorganisaties in Nederland’ in Flap en Arts, De organisatie, 99-115.

“De vooroorlogse pioniersvereniging NVEV groeide daardoor in de oorlog door tot een middelgrote organisatie, mede door de aanwas van een groot aantal boerinnen van wie de eigen organisatie werd genazificeerd. (13)”

13. De Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen raakte in conflict met het regime. Uit protest bedankten de leden in augustus 1941 massaal voor het lidmaatschap toen de Duitse autoriteiten de bond probeerden te nazificeren. Louwers, ‘Nazificering’, 110-112.

Bob de Graaff, ‘Recensie’, Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 114 (1999) 145-146.

“Een van de verklaringen voor een actievere houding van (potentiële) slachtoffers is de mate van voorkennis die bestond over de toekomstige maatregelen van de bezetters. Dit blijkt uit de bijdrage van Ultee en R. Luykx over joods-gojse huwelijken en joodse zelfdodingen, het artikel van Werkman over de houding van het Rooms-Katholiek Werkliedenverbond en het CNV gedurende het eerste bezettingsjaar en het opstel van Louwers over de nazificering van een vijftal vrouwenorganisaties. De consequentie van die constatering, dat daarmee het reeds in de jaren dertig verworven inzicht in Nederland in de aard van het nationaal-socialisme en in de Duitse omstandigheden van belang is, wordt door de meeste auteurs (nog) niet structureel getrokken.”

“Een principiële stellingname van vakbeweging en vrouwenorganisaties frustreerde de nazificatiedoelstelling meer dan een gematigd loyale opstelling ten opzichte van de bezetter.”

H. Flap, W. Arts, ed., De organisatie van de bezetting (Amsterdam: Amsterdam university press, 1997, 180 blz., ƒ29, 50, ISBN 90 5356 255 9).

Omslagontwerp: Jos Hendrix, Groningen
© Amsterdam University Press, Amsterdam, 1997

Archief

Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie Amsterdam

21 Abteilung Rechtssetzung und Staatsrecht.
31 Hauptabteilung Erziehung und Kirchen.
102 Departement van Volksvoorlichting en Kunsten.
114 Bureau Volkskultuur en Volksontwikkeling.
215 Collectie Nederlandse Overheidsinstellingen, Departement van Binnenlandse zaken, Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming, Departement van Sociale Zaken.

NSVO-archief [dit archief bevindt zich wel in het Riod, maar is niet in de catalogus opgenomen]

Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis Amsterdam

S.D.A.P.-archief
1727-1770 Sociaal Democratische Vrouwen Clubs (SDAP-SDVC).
2921-2929 Stukken betreffende de SDAP (en nevenorganisaties zoals SDVC) in bezettingstijd.
2985 Kopiën van uitgaande stukken betreffende zuiveringscommissies.

Katholiek Documentatie Centrum Nijmegen

210 Archief Unie Katholieke Vrouwenbeweging
210-15 1940-1941 ‘Wat gaf de RK.Vrouwenbond in het diocees’, Jaarverslag RK-Vrouwenbond.
210-133 1963 50 jarig bestaan RK.Vrouwenbonden in Nederland. 29 mei 1963 te Utrecht.
210-226 1942-1944 Notulen van vergaderingen en statuten van de Federatie van RK Vrouwenbond 1942-1943 en stukken betreffende organisatievorm en structuur van de Federatie 1943-1944.
210-287 z.j. Voorgeschiedenis en structuur van de Federatie ’43-’44.
210-378 1939 Organisatie van de katholieke vrouwenbeweging en de taakverdeling tussen de plaatselijke katholieke vrouwenbeweging en de standsgroepen.
210-333 1945-1946 Het Nederlands vrouwencomité.
210-381 1941 Aanvulling der gegevens over het werk der RK.Vrouwenbond speciaal dat der federatie.
210-382 1941 Brochures en geschriften uitgegeven of verspreid door het Centraal Bureau van RK.Vrouwenbonden in Nederland.

Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenvereniging Amsterdam

Archief Nederlandse Vereeniging van Huisvrouwen
86 1940 Beschrijvingsbrief van de zeventwintigste Algemeene Ledenvergadering.
87 1941 Idem.
140 mei 1940-december 1941 Circulaires van het Hoofd Bestuur aan de Afdelings Besturen.
141 januari 1941-juni 1942 Idem.

Maandblad der Nederlandsche Vereeniging van Huisvrouwen (z.p., 1940, 1941, 1942)

Archief Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, Archief van het Hoofdbestuur
Doos 1 Map 1 Notulen en jaarverslagen 1939-1945.
Doos 8 Map 2 Notulen 1939-1945.
Doos 11 Correspondentie 1939-1945.
Verder verscheidene stukken aangaande de bezettingstijd en de heroprichting uit de volgende mappen: 33, 36, 38, 40, 41, 42, 43, 47, 49, 71.

Archief de Born [Vormingscentrum van de SDAP waar onder meer bijeenkomsten van de SDVC werden gehouden. De Born functioneerde ook tijdens de bezettingstijd.]

Archief Boerinnenbond

124 De Nationaal-Socialistische Vrouw [tijdschrift van de NSVO]

Literatuur

Aerts, Mieke, ‘Op zoek naar constructies van vrouwelijkheid. Naar aanleiding van drie katholieke vrouwenorganisaties in het interbellum’, in: Jaarboek voor vrouwengeschiedenis II (Nijmegen 1981) 132-145.

Angerman, Arina, Over gelijkwaardigheid en gelijkheid. Een ideeëngeschiedenis over emancipatie van vrouwen van de bestuurstop van de Vereniging voor Vrouwenbelangen, Vrouwenarbeid en Gelijk Staatsburgerschap (VVVGS) in de periode 1949-1967 [ongepubliceerde doctoraalscriptie](Groningen 1985).

Aspert, Carmen van, en Gera van der Bruggen, De moeders. Een vergelijkend onderzoek naar het vrouwbeeld van katholieken en nationaal-socialisten in twee damesbladen 1939-1949 [ongepubliceerde doctoraalscriptie] (Nijmegen 1984).

Blok, Els, Uit de schaduw van de mannen. Vrouwenverzet 1930-1940 (Amsterdam 1985).

Blom, J.C.H., ‘Onderzoek naar verzuiling in Nederland. Status quaestionis en wenselijke ontwikkeling’, in: J.C.H. Blom en C.J. Misset ed., ‘Broeders sluit u aan’. Aspecten van verzuiling in zeven Hollandse gemeenten (Den Haag 1985) 110-120.

Blom, J.C.H. ‘Een harmonisch gezin en individuele ontplooiing. Enkele beschouwingen over veranderende opvattingen over de vrouw in Nederland sinds de jaren dertig’, Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 108 (1993) 28-50.

Bock, Gisela, ‘Racism and sexism in Nazi Germany. Motherhood, compulsory sterilazation and the state’, Journal of Women in Culture and Society 3 (1977) 400-421.

Bosch, Mineke en Annemarie Kloosterman, Lieve Dr. Jacobs. Brieven uit de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht 1902-1942 (Amsterdam 1985).

Bullock, Alan, Hitler en Stalin. Parallelle levens (Amsterdam 1991).

Derks, Marjet e.a., ‘Res novae. Evoluties in historische beeldvorming over katholieke vrouwen’, Ex Tempore 11 (1992) 121-133.

Derks, Marjet, Catharina Halkes en Annelies van Heijst, ‘Roomse Dochters’. Katholieke Vrouwen en hun beweging (Baarn 1992).

Elias, Miriam, ‘Interview met mevrouw W.H. Posthumus-van der Goot. “De generatie van de verwende meisjes”‘, in: Jaarboek voor vrouwengeschiedenis 2 (1981), 223-235.

Konrad Kwiet, Rijkscommissariaat Nederland. Mislukte poging tot vestiging van een nationaal-socialistische orde (Baarn 1969).

Luykx, Paul, De actie ‘Voor God’ 1936-1941: een katholieke elite in het offensief (Nijmegen 1978).

Marrenga, Ellen, ‘De Nationaal-Socialistische Vrouwenorganisaties – de NSVO’, in: J. de Zwaan ed., De Zwarte Kameraden. Een geïllustreerde geschiedenis van de NSB (Weesp 1984) 195-214.

Meulendijks, Marlène, De Rooms-Katholieke Vrouwenbond: opkomst en neergang van een anti-modernistische beweging [ongepubliceerde doctoraalscriptie] (Utrecht 1988).

Noort, W.J. van, L.W. Huberts en L. Rademakers, Protest en pressie. Een systematische analyse van collectieve actie (Assen 1978).

Rupp, Leila, Mobilizing Women for War. German and American propaganda, 1939-1945 (Princeton 1978).

Schwegman, Marjan en Jolande Withuis, ‘Moederschap: van springplank tot obstakel. Vrouwen, natie en burgerschap in twintigste-eeuws Nederland’, in: Françoise Thébaud ed., De twintigste eeuw. Georges Duby en Michelle Perrot ed., Geschiedenis van de vrouw, V (Amsterdam 1993) 557-583.

Schwegman, Marjan, ‘Lagen der werkelijkheid. Italiaanse en Nederlandse vrouwen tijdens het interbellum’, in: Jaarboek voor vrouwengeschiedenis II (Nijmegen 1981) 110-131.

Stuurman, Siep, ‘Verzuiling en klassenstrijd in Nederland’, in: Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland V (Nijmegen 1981) 48-93.

Noten

  1. De Nederlandse Christen Vrouwen Bond laten we buiten beschouwing, omdat deze een vergelijkbare visie had op de positie van vrouwen als de RKVB. Beide organisaties waren opgericht om tegenwicht te bieden aan feministische of sociaal-democratische vrouwenorganisaties. ↩︎
  2. Bij elke volgende paragraaf wordt naar de bronnen en de relevante literatuur verwezen. Hieronder volgen twee titels die relevant zijn voor de paragrafen over de Nederlandse vrouwenorganisaties:
    Naar natuurlijk bestel. Vrouwenorganisaties in de jaren dertig (Amsterdam 1980).
    W.H. Posthumus-van der Goot e.a., ed., Van moeder op dochter. De maatschappelijke positie van de vrouw in Nederland vanaf de Franse tijd (Derde herziene druk; Nijmegen 1977). ↩︎
  3. De nazi-ideologie ten aanzien van vrouwen is onder meer geanalyseerd in:
    Leila J. Rupp, ‘Mother of the Volk: The image of Women in Nazi Ideology’, Signs. Journal of Women in Culture and Society 2 (1977) 362-379.
    Gisela Bock, ‘Het nationaal-socialisme en het leven van vrouwen’, in: Françoise Thébaud ed., De twintigste eeuw. Georges Duby en Michelle Perrot ed., Geschiedenis van de vrouw, V (Amsterdam 1993) 147-173.
    Gisela Bock, Zwangsterilisation im Nationalsozialismus. Studien zur Rassenpolitik und Frauenpolitik (Opladen 1986).
    Jill Stephenson, The Nazi Organisation of Women (Londen 1981). ↩︎
  4. Archief NSVO, NSB-archief, Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie Amsterdam.
    E. Fraenkel-Verkade en A.J. van der Leeuw ed., Correspondentie van Mr. M.M. Rost van Tonningen I, 1921-mei 1942 (Den Haag 1967). ↩︎
  5. Archief Commissaris voor niet-commerciële verenigingen en stichtingen, Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie Amsterdam.
    L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog IV, mei ’40-maart ’41, eerste helft (Den Haag 1972).
    L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog V, maart ’41-juli ’42, eerste helft (Den Haag 1974). ↩︎
  6. Mieke Aerts, ‘Op zoek naar konstrukties van vrouwelijkheid. Naar aanleiding van drie katholieke vrouwenorganisaties in het interbellum’, Tweede Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis (Nijmegen 1981) 132-145, aldaar 134. ↩︎
  7. Archief Bond van Sociaal-Democratische Vrouwen Clubs, Archief Sociaal-Democratie in bezettingstijd, SDAP-archief, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis Amsterdam.
    Archief de Born, Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging Amsterdam. ↩︎
  8. Archief Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenbelangen, Vrouwenarbeid en Gelijk Staatsburgerschap, Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging Amsterdam.
    Marja Borkus e.a., Vrouwenstemmen. 100 jaar vrouwenbelangen, 75 jaar vrouwenkiesrecht (Zutphen 1994). ↩︎
  9. Archief Nederlandse Vereeniging van Huisvrouwen, Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging Amsterdam.
    Ineke Jonker, Huisvrouw en vakwerk. 75 jaar Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen (Baarn 1978). ↩︎
  10. Archief Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen, Centraal Bureau Bond van Plattelandsvrouwen Den Haag.
    Margriet van Slochteren, De Drentse boerinnenbond en de reactie op de Duitse bezetter [ongepubliceerde doctoraalscriptie] (Groningen 1989).
    Margriet van Slochteren, ”Leden houdt, wat er nog kome, Uw lampen brandende…’ De Drentse Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen, 1930-1948′, in: Marion Hoogendijk e.a., ed., Krüderige wieven. Drentse vrouwen in de 20e eeuw (Zutphen 1991) 75-95. ↩︎