
We slaan linksaf als het begin van de Sint Bernardstunnel zich aandient, op weg naar de 2475 meter hoge Grote Sint-Bernhardpas en stoppen bij een stuwmeer. Donkerblauw water en witte wolken bewegen tussen grauwe bergen. Behalve de ingang van de tunnel is in de verste verte geen bebouwing te zien.
Het landschap wordt kaler als we via smalle haarspeldbochten het Val d’Entremont ontstijgen. We passeren de watertorens en praatpalen op weg naar de negen maanden per jaar besneeuwde top. Hier gevonden voorwerpen duiden erop dat acht eeuwen voor Christus voor het eerst mensen deze pas gebruikten. In het jaar 12 voor Christus legde de Romeinen hier een weg tussen Martigny en Aosta aan. Daarnaast bouwden ze op het hoogste punt van de pas een tempel voor Jupiter.
Vele koningen, keizers en pausen passeerden de pas in de eeuwen die volgden, alvorens naamgever Bernard van Menton ten tonele verscheen. Deze abt verdreef de rovers van de berg en stichtte er in 1049 een klooster waar pelgrims gratis konden overnachten. Na zijn dood werd Bernard heilig verklaard. De vele wonderen die aan hem werden toegeschreven zorgden ervoor dat het klooster al snel een toevluchtsoord werd voor pelgrims. In modernere tijden trokken daarnaast vele alpinisten en skieërs naar deze omgeving. Daarbij wisten ze zich altijd beschermd door de geest van de heilige Bernard, die dan ook in 1923 door Paus Pius XI benoemd werd tot de beschermheilige van de bergbeklimmers.
Na een ietwat overdreven hoeveelheid haarspeldbochten komen we boven aan. In een bocht van de weg ontwaren we wat gebouwen tussen de sneeuw. Vier gebouwen om precies te zijn: het klooster, de morgue waar omgekomen alpinisten worden opgebaard, de St. Louis slaapzalen en het hotel St. Louis dat in 1898 haar deuren opende. Buiten de auto is het koud, derhalve steken we snel het bedompt aandoende restaurant Na een kop chocolademelk steken we de straat over naar het klooster. In de winter is daar voor iedereen gratis onderdak te vinden, in de zomer alleen voor de minderbedeelden. Het is zomer. Het klooster is in renovatie. Bouwvakkers sjouwen met planken, een stukadoor is bezig met een muur. Wat verder van deze chaos, aan het eind van een gang, ligt de kerk. Daarvoor bevinden zich de kloosterbibliotheek met 30.000 boeken en een museumpje.
Twee veel gesignaleerde soorten in en rond het klooster van St.-Bernard zijn de kanunniken van de St. Augustinusorde, oftewel de Bernardijnen, en de onontbeerlijke sint-bernardshonden. Ach ja, die sint-bernardshonden. Ook zij hebben hun eigen museumpje, maar om dat nou te bezoeken, alleen de stank al weerhoudt je ervan. Toch blijven het brave beestjes. Tweeduizend mensen hebben ze al gered. De in het natuurhistorisch museum in Bern opgezette Barry I nam er daarvan maar liefst veertig voor zijn rekening. “En zoals dat gebeurde door de jaren heen, verlaten de brave viervoeters nog steeds zonder aarzelen hun kennels om een mens in nood te gaan redden.” Dat vermeldt het door de koorheren van het klooster geschreven gidsje dat uitblinkt in zeer mens- en natuurvriendelijke bewoordingen, alsof we in de Tuin van Eden zijn aanbeland. Dat hier 1200 plantensoorten voorkomen, waaronder hele zeldzame, het zal wel, dat valt met een ongeoefend oog niet waar te nemen. Net zoals de hier levende fauna – de haas, de marmot, de schreeuwvink, en niet te vergeten, de gems – nergens te bekennen zijn, behalve dan opgezet in het museum.
De vijf priesters die hier ’s winters verblijven spiegelen zich graag aan Franciscus van Assisi. Voor de vogels die hier ’s winters de pas overtrekken worden de ramen geopend om ze binnen beschutting te bieden. De bernardijnen, de supermannen van St.-Bernard, bieden ook nog eens hulp aan in sneeuw gestrande mensen. De faam van deze reddende bergbroeders bestaat al eeuwen. In 1933 werd daarom hun hulp ingeroepen om op de 3800 meter hoge Latzapas in Tibet een hospitium te bouwen. Dat liep niet helemaal goed af: een kanunnik werd tijdens de vlucht voor de communistische bezetters door lama’s gedood.
De broeder die ons in het museumpje rondleidt vertelt verder. Over Napoleon. Abt Louis Luder ontving Napoleon toen deze in 1800 als eerste Consul van Frankrijk met 40.000 manschappen naar Italië trok. Bij de ingang van het klooster is een aan Napoleon gewijde inscriptie op de muur aangebracht, aangeboden door de burgers van het kanton Valais in dankbaarheid voor de in 1804 aan hen verleende onafhankelijkheid. In de kerk getuigt een grafmonument van Napoleons passage. Na de terugkeer van de slag bij Marengo liet hij één van zijn beste officieren, generaal Desaix, in de kerk van het klooster begraven.
Op de vraag aan broeder Pierre hoe het hier nou in de winter is, hoe het überhaupt is om een groot gedeelte van je leven hier door te brengen, volgt na wat horten en stoten een onduidelijk antwoord. Veelvuldig valt het woord God. Alleen daarmee lijk je op deze koude, eenzame maar ook wonderschone plek te kunnen overleven. Ter afscheid frommelt de broeder ons wat bidprentjes in handen. Met de tekst kunnen we volledig instemmen: “Heer, Gij hebt ons de heilige Bernardus gegeven als patroon van de alpinisten en de bewoners van berg- en hoogland. Bescherm ons op zijn voorspraak bij al onze bergtochten. Wij hebben volop genoten van de pracht der natuur; laat ons nu met meer vreugde terugkeren naar onze dagelijkse taak en sterker staan in dienst van God en onze medebroeders. Hier op aarde proberen wij het voorbeeld van Sint Bernardus na te volgen; geef ons de genade die hoogte te bereiken die Christus is. Amen.”
We dalen weer in de diepte, na deze verstilde enclave. Vijftig meter verder begint de werkelijke wereld alweer, de douanepost van Zwitserland en wat verderop achter het bergmeertje, die van Italië.
Stefan Louwers
Literatuur
De koorheren van de grote St. Bernard, De Grote Sint Bernard (Martigny 1980).
Karl Baedeker, Italien. Von den Alpen bis Neapel (Leipzig 1926).
Verleden Tijd Schrift 3 (1995) 26-30.
