
“Hoe mathematischer een punt of een lijn, hoe groter het verlangen erop te gaan staan.”
Jan Dibbets1
Een paar dagen na Quatorze Juillet snellen we met de Thalys naar Parijs. Na Brussel bereiken we grote snelheid. Voor je het in de gaten hebt is de lunch gesoupeerd en sta je op het perron van het Gare du Nord voor een weekend lichtstad, voor het eerst met een doel in het achterhoofd. Geen willekeurige wandeling langs de niet te missen hoogtepunten – die kennen we onderhand wel. Nee, we gaan het heel anders doen: voor deze laatste ‘Ergens in…’ lopen we over de denkbeeldige nulmeridiaan, in 1994 als hommage aan Arago gematerialiseerd door de Nederlandse kunstenaar Jan Dibbets.
In deze rubriek brachten we de afgelopen jaren verslag uit van hedendaagse zoektochten naar sporen uit het verleden.We brachten onder andere een bezoek aan Eijden, Spa, Wannsee, Dunkerque, het Ile d’Aix, Saint Malo, Montreux, Trier, Arlberg, Elba, het Ötztal, Kommagene, Berlijn, de Languedoc, Muzot-sur-Sierre, Schotland, Tsjechië en Slowakije.
Nu hebben we het gemakkelijk: We hoeven alleen maar de 135 medaillons achterna te lopen die Dibbets door Parijs legde. Een speurtocht voor volwassenen, als een kind zo blij het volgende ronde bronzen plaatje te hebben gevonden. Met dank aan Philip Freriks die met een wandelgids het kunstwerk ontsloot.2
De meridiaan van Arago
Met 135 op de meridiaan geplaatste bronzen medaillons met de inscriptie ‘Arago’, brengt Dibbets hulde aan François Arago (1776-1853), astronoom, humanist, politicus en kortstondig staatshoofd. Arago bracht als landmeter tussen 1806 en 1809 een gedeelte van de nulmeridiaan in kaart, de loodrecht op de evenaar staande van noord- naar zuidpool lopende lijn. Waar de nulmeridiaan loopt is een kwestie van afspraken, in tegenstelling tot de evenaar. Tot 1884 liep de nulmeridiaan door Parijs, daarna werd de meridiaan van Greenwich de standaard. Arago woonde het grootste deel van zijn leven op de meridiaan, in een dienstwoning in het Observatoire. Naast de wetenschap wijdde hij zich aan de politiek. Na de revolutie van 1848 was hij gedurende 46 dagen voorzitter van de Uitvoerende Raad en daarmee Frans staatshoofd. Hij weigerde trouw te zweren aan de nieuwe keizer, Napoleon III, verliet de politiek en stierf op 2 oktober 1853 in het Observatoire.
Rive Gauche
Met de Reseau Express Regional (RER) naar het Zuiden. De Cité Universitaire als bestemming. Achterin het park, net voor de drukke ringweg, ligt het Pavillon Cambodja, omringd door een schutting. Het bouwvallige paviljoen is en rénovation, het eerste koperen plaatje onbereikbaar.
De Cité Internationale de l’Université de Paris werd na de Eerste Wereldoorlog opgericht om internationele toenadering te bevorderen en Parijse studenten een betere huisvesting te bieden. Sinds de machtsovername van de Kmer Rouge midden jaren zeventig zijn de ramen en deuren dichtgemetseld. Aan de achterkant van het paviljoen raast de ringweg. De loopbrug naar de Sacré Coeur du Montrouge is afgesloten. De périphérique als muur om Parijs.
Als nieuwsgierige wetenschappers zoeken we op de paden, in de perken, tussen de bomen naar de volgende plaatjes. Het richtingsgevoel ontbreekt. Het eerste plaatje dat we vinden, no. 11, ligt voor de stoep van de omheining van de campus, in de buurt van het Collège Néerlandais van Dudok, in 1928 gebouwd door de Fondation Juliana. Aan de overkant van de Boulevard Jourdan ligt het Parc Montsouris. We passeren de Mire du Sud, het uit 1806 stammende richtpunt op de meridiaan. Veertig meter verder ligt plaatje 12a. De Mire du Sud staat dus uit het lood. Lenin schreef in de muziektent van het park toespraken, Mata Hari frequenteerde het terras van het Pavillon Montsouris.
Kilometers verder staat een rode Renault op no. 21. Hier, op de Place St. Jacques, stond van 1832 tot het einde van de negentiende eeuw de guillotine opgesteld. Tussen 1830 en 1848 rolden er 558 hoofden. In Le cabaret du bourreau, de herberg van de beul, ontmoetten de beul en zijn helpers elkaar voor elke executie. De executieplaats werd aan het einde van de negentiende eeuw verplaatst naar de muur van de Santé-gevangenis aan de Boulevard Arago.
Even verderop, op de Place de l’Ile de Seine, staat de sokkel van het standbeeld van Arago. Het bronzen standbeeld zelf werd in de Tweede Wereldoorlog omgesmolten. Met deze op de meridiaan gelegen sokkel als middelpunt plaatste Dibbets plaatjes naar het zuiden en het noorden. ‘Dan worden de Parijzenaars zich bewust van de denkbeeldige lengtecirkel en tenslotte – althans de meest nieuwsgierigen onder hen – van de geestelijke erfenis die François Arago hun nagelaten heeft.’ Parijzenaars lijken echter de rechte lijn nog niet op te merken, op de portier van Hotel Ambassador na, die ons no. 120 aanwees. Onderaan de sokkel staat vermeld dat de Hommage à Arago in opdracht van de Franse overheid in 1994 door Jan Dibbets werd vervaardigd.
We maken een détour langs de Boulevard Arago. Aan de rechterhand doemt als een middeleeuwse burcht de beruchte Santé-gevangenis op. Metershoge ruwe muren. Bovenin houden duiven de gevangenen gezelschap. Gangsta-rap klinkt vanachter de tralies. Bezoekers wachten buiten onder een glazen overkapping.
Naast de Jardin Arago de Cité Fleurie, een kunstenaarskolonie waar Picasso, Henri Moore en César Domela Nieuwenhuis woonden en werkten. Mark Brusse deponeert als wij langslopen afval in een container. Een oude man drinkt een espresso met een cognacje op het terras van café-tabac Arago. Het interieur stamt uit de jaren vijftig. Een wandschildering toont Arago met een hand op een wereldbol.
Het Observatoire blijkt een obstakel. De tuintrap waarop ons een medaillon is beloofd, is afgezet met houten palen. De sterrenwacht wordt gerenoveerd. Hier werd in de Salle du Méridien, rondom de koperen staaf die de lengtecirkel materialiseert, het monument van Dibbets met champagne ingewijd. Om over onze teleurstelling heen te komen drinken we een glas op het terras van de Closerie des Lilas. Het vroegere trefpunt van de intellectuele en artistieke elite, de plaats van de kunstenaars momenteel overgenomen door de beau-monde van Parijs. Verlaine kwam hier wel eens, Trotski en Lenin zouden hier lange middagen hebben geschaakt zonder veel te consumeren. Na de Eerste Wereldoorlog schreef Hemingway – die om de hoek woonde – in de Closerie The Sun Also Rises.
Om de hoek van de Closerie staat een standbeeld van maarschalk Ney die Napoleon trouw was na diens ontsnapping van Elba en wegens hoogverraad ter dood werd veroordeeld. In het laantje voor het Observatoire, binnen gehoorsafstand van de eveneens Napoleon-getrouwe Arago, werd Ney gefusilleerd. In zijn laatste boek, A Moveable Feast – herinneringen aan zijn verblijf in Parijs – schrijft Hemingway in weergaloos proza over Ney en de ‘lost generation’ van de Eerste Wereldoorlog:
“Then as I was getting up to the Closerie des Lilas with the light on my old friend, the statue of Marshall Ney with his sword out and the shadows of the trees on the bronze and he alone there and nobody behind him and what a fiasco he’d made of Waterloo, I thought that all generations were lost by something and always had been and always would be and I stopped at the Lilas to keep the statue company en drank a cold beer before going home to the flat over the sawmill.”
Latere generaties, de Vijftigers (Vinkenoog, Kouwenaar, Kousbroek, Campert en Claus) en Cobra (Appel, Corneille, Constant en Claus) troffen elkaar in Café Mabillon, op de hoek van de drukke, chaotische Boulevard Saint-Germain en Rue de Bucci. Op het terras van het café heffen we het glas op de Nederlandse kunstenaars die Parijs na de Tweede Wereldoorlog bezochten, om de grijze jaren vijftig te ontvluchten, zoals Rudy Kousbroek in Parijs verplicht verwoordde:
“Toen ik in 1950 in het Gare du Nord uit de trein stapte, zag ik de brede straten in het ochtendlicht, met het zilveren water dat door de goten stroomde; de monumentale architectuur die soms de onwerkelijke indruk maakte van een filmdecor. Het gevoel een Franse film binnengewandeld te zijn. Het werd het grootste intellectuele avontuur van mijn leven en het gevoel van bevrijding duurt nog steeds.”
Aan de Seine vinden we het laatste plaatje van die dag op de kade voor een party-schip.

Rive Droite
De volgende dag, zondagmorgen, begint voor klanten van La Pinte du Nord – het café aan de overkant van ons Hotel du Nord – met een eerste biertje. Wij beginnen met Perrier op het terras van het Louvre. Honderden mensen stellen zich op in een lange rij alvorens in de piramide van Pei te verdwijnen. Op een kade het eerste plaatje. Daarboven bij een bankje het tweede van de dag. De medaillons in het Louvre laten we voor wat ze zijn. We zijn op weg naar no. 100. Het plaatje ligt onder een terrastafeltje van Café de Némours. De temperatuur stijgt. De hitte blijft hangen tussen de huizen. Ter verkoeling drinken we een Indiase milkshake op het schuin oplopende pleintje G. Toudouze. De warme buurt nadert.
No. 126 ligt op de stoep voor Le Sexodrome aan de Boulevard de Clichy. Een minderjarige jongen houdt op een barkruk de wacht voor de ingang. Pigalle is een kermispornoshow. Bussen stromen leeg. Toeristen slenteren langs, op zoek naar iets schokkends. Dat is hier al lang niet meer te vinden.
In het verlengde van de Boulevard de Clichy ligt de Rue des Abesses, met een authentiek aandoende Montmartriaanse sfeer – heel wat anders dan de clichés van de Place du Tertre bij de Sacré Coeur. We schuilen tegen de zon onder een parasol op het terras van Le Bruant, op de hoek met de naar de schrijver vernoemde Rue Bruant. Binnen kijkt men naar Le Tour. Jackie Durand wint de sprint.
Door de statige Avenue Junot dalen we de Butte Montmartre af. Een lange tocht zonder medaillons – de laatste liggen kilometers verderop bij de Porte de Clignancourt – die dorstig maakt. We leggen aan op het terras van Café Le Reinitas aan de Place Charles Bernard, een armoedig driehoekig pleintje in een armoedige wijk vol morsige mannetjes. Op het midden van het pleintje staat een vuilcontainer, ervoor een berg afval. Een oud mannetje laadt een kar vol met oud ijzer. Twee nichten nemen twee lampekappen mee. Twee vrouwen twee potten. Een BMW trekt op met gierende banden. Een Renault wil niet starten en wordt derhalve de helling afgeduwd. Op het pleintje wordt inmiddels in vuilniszakken gegraaid. Een Afrikaanse vrouw belt mobiel terwijl ze duiven voert. Morsig mannetje no. 4 neemt keramieken schalen mee. Met uit kinderschoenen getrokken veters maakt hij er een handig draagbaar pakketje van.
En zo ontrolt zich op het pleintje het leven van alledag, bezien vanaf een terras dat uitnodigt tot dagenlang observeren. Maar we moeten verder. Het laatste plaatje wacht voor de Bibliothèque Porte-Montmartre Adultes, middenin een etnisch scheefgegroeide wijk, het wasteland rondom de ringweg. Hier is Arnac King en Bise the Best, volgens de tags op het stalen rolluik van de bibliotheek. Twintig centimeter ervoor ligt het laatste medaillon, no. 135. Een echt eindpunt, een vooruitblik op de treurige banlieue die achter de ringweg ligt. Een agressieve man waant zich tolwachter. Iedere voorbijganger neemt hij een voorwerp af. We vluchten naar metrostation Porte de Clignancourt, alwaar metrolijn 4 ons terugbrengt naar het hart van de stad die we van een geheel andere kant gezien hebben.
Stefan Louwers en Gerard Mentjox
Literatuur
Philip Freriks, Het spoor van de monumentale meridiaan. Een boeiende wandeling door de Franse hoofdstad (Utrecht 1995).
Verleden Tijd Schrift 3 (1998) 11-14.
Redactioneel: “Na jarenlang alle tegenslagen te hebben overleefd die een klein, ongesubidieerd tijdschrift onherroepelijk tegenkomt tijdens haar bestaan, heeft VTS dan toch haar zwanenzang bereikt. De laatste VTS, voor de redactie misschien wel de zwaarste bevalling ooit, ligt met de VTS inmiddels kenmerkende vertraging voor u. Het was al eerder aangekondigd, maar voor degenen die het hebben gemist: in het afgelopen jaar hebben de Nijmeegse historische tijdschriften Ex Tempore en Verleden Tijd Schrift gewerkt aan een fusie van de twee bladen. Daarmee is een einde gekomen aan onnodige en voor allebei ongunstige concurrentie, maar ook aan een tijdschrift waarvoor vanaf de oprichting heel hard is gevochten.”
“Onze trouwe medewerkers en wereldreizigers Gerard Mentjox en Stefan Louwers rapporteren deze keer samen vanuit Parijs.”
Postscriptum Aan de Seine vinden we het laatste plaatje van die dag op de kade voor een party-schip.
’s Avonds het Trocadéro, het plein voor het Palais de Chaillot met het beste uitzicht op de Eiffeltoren. Op het terras van Le Totem in het Musée de la Marine wachten we het moment dat de spotlights aangaan geduldig af. Nog 532 dagen tot 2000 meldt de tweede verdieping van de Tour Eiffel.
Post Postscriptum Tijdens het ordenen en digitaliseren van mijn archief vond ik een nooit ontwikkeld fotorolletje. Fotolabo Club Color Sensation 200 iso. Foto’s uit de vorige eeuw. Een lang weekend in 1998. ‘Ergens in… Parijs‘.

