“Mit dem Ruecken an einer kurzer Betonsockel gelehnt eingeschlafen, August 1981”

Ergens in… Eijsden. De vlucht van Wilhelm II naar Nederland

© 2026, 2021 Stefan Louwers

Er zijn veel plaatsen in Nederland waar zich historisch gebeurtenissen hebben afgespeeld. Vaak is in geschiedenisboeken die plaats wel gekoppeld aan de gebeurtenis, maar wordt er verder weinig over vermeld. Bijna iedere historicus weet bijvoorbeeld wel dat de Duitse Keizer Wilhelm II tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog naar Nederland vluchtte, misschien is zelfs de plaats bekend waar hij de grens overstak.

Wat er zich in november 1918 precies heeft afgespeeld in het Zuidlimburgse Eijsden blijft echter vaak onduidelijk. Bijna 75 jaar na dato ging ik ter plekke op zoek naar het decor van bovenstaand feit en de mogelijk achtergebleven sporen.

Om wat meer te weten te komen over de motieven van de keizer om naar Nederland te vluchten, moeten we eerst wat verder terug in de geschiedenis.

Spa

Deze rustige plaats in de Ardennen is vooral bekend geworden door haar vele bronnen, het woord Spa is dan ook voor velen synoniem voor bronwater. In het begin van deze eeuw was Spa ook een bekend kuuroord, waar veel vertegenwoordigers van de Europese elite zich kwamen ontspannen. In de villawijk Balmoral vonden veel Europese vorstenhuizen toentertijd een onderkomen.

Wilhelm II had in de oorlogsjaren zijn persoonlijke hoofdkwartier in de villa du Neubois aan de Avenue Petzer de Clermont. In november 1918 werd deze villa ontruimd, en verbleef de keizer een aantal dagen in de keizerlijke trein op het station van Spa, alvorens op 2 november in de Villa Fraineuse te trekken waar zich een week later een onrustige dag zou afspelen. De sociaal-democraat Scheidemann had op die negende november een raam van de Rijksdag geopend en ten overstaan van een massa mensen, die ‘weg met de keizer en weg met de oorlog’ riepen, de Duitse republiek uitgeroepen. Wat later die dag riep Karl Liebknecht de vrije socialistische republiek uit. De berichten uit Berlijn leidden in Spa tot beraadslagingen over de vraag of de keizer troonsafstand zou moeten doen, om de revolutionaire dreiging af te wenden. Die beslissing was echter al voor hem genomen door kanselier Max von Baden die een telegram met de boodschap ‘keizer en kroonprins afstand gedaan, prins Max is regent, Ebert Rijkskanselier’ de wereld instuurde.

Veldmaarschalk Von Hindenburg adviseerde de keizer om naar Nederland te vluchten. Rond vijf uur die avond zei Wilhelm II tegen zijn adjudanten dat hij in Spa zou blijven: “Voor het geval wij door Bolsjewisten worden aangevallen en mijn hier aanwezige veiligheidstroepen niet trouw blijven, reizen wij naar Den Haag.” Er werd besloten die nacht nog naar Nederland te vertrekken.

Luik

Een van de mythologiseringen die rondom zijn vlucht is opgetreden, is het idee dat Keizer Wilhelm II met zijn keizerlijke trein naar Nederland gereisd zou zijn. In de morgen van 10 november werd weliswaar met die keizerlijke trein vertrokken, maar al na tien minuten stapte men uit en reisde men verder met een stoet van negen keizerlijke auto’s. Dit omdat men niet met de keizerlijke trein via het door ‘linkse elementen’ beheerste Luik durfde te gaan. De trein reed verder naar de Nederlandse grens, terwijl de chauffeur van de keizer, kapitein Zeyss, de weg naar dezelfde eindbestemming probeerde te vinden.

De licht gepantserde 2750 kilo wegende keizerlijke auto staat nu in het Autotron in Rosmalen. Opvallend is het toetsenbord in het achtercompartiment waarmee de keizer de volgende commando’s kon geven: ‘Schnell – Langsam – Halt – Links – Rechts – Kehrt – Haus.’ Die nacht maakt Wilhelm veelvuldig gebruik van die bevelen, iets waaruit zijn opgewondenheid blijkt.

Withuis

Rond zes uur die morgen bereikte Wilhelm II de grens bij Withuis, op de straatweg tussen het Belgische Visé en het Nederlandse Eijsden. De Duitse grenswacht bestond uit een aantal Beierse landweermannen. Generaal Von Frankenberg stapte uit en zei dat hij samen met enige officieren voor een belangrijke aangelegenheid naar Holland moest. Het volgende obstakel was de Nederlandse grensovergang. Daar bestond de wacht uit zes militairen van het 4de landweerbataljon onder leiding van sergeant Pinkaers. Deze vertrok op zijn fiets naar de Zinkwitfabriek in Eijsden om daat te telefoneren met zijn commandant in Maastricht, Majoor G. van Dijl. Tegen acht uur verscheen deze, evenals de Nederlandse diplomaat Verbrugge, die de vorige dag al op de hoogte was gesteld van de komst van de keizer. Ondertussen liep deze de dorpsstraat op en af. De zon kwam op boven de heuvels rondom Withuis en de kerkklokken luidden de zondagmorgen in. Wilhelms adjudant Ilsemann zei: “Hoort u, dat zijn nu werkelijk vredesklokken.”

Vandaag de dag ziet Withuis er nog vrijwel hetzelfde uit als in die dagen. Door de aanleg van de autoweg tussen Maastricht en Luik is de straatweg Visé-Eijsden gedegradeerd tot een onbelangrijke verbindingsweg. De grensposten aan beide kanten zijn verdwenen. Withuis vermeldt weliswaar trots dat zijn een Europese gemeente is, maar juist door het formeel verdwijnen van de Europese binnengrenzen heeft het zijn functie verloren. Het kantoor der belastingen in Moeligen – het Belgische grensplaatsje – is de eerste vijf werkdagen alleen nog ’s morgens geopend van negen tot twaalf. Het wachtlokaal met een mooie veranda aan de Nederlandse kant staat – net zoals veel huizen in Withuis – te koop. Op de gevel van het pand zijn nog net de vorige bestemmingen van het pand te lezen. Naast wachtlokaal deed het gebouw dienst als café-restaurant Terminus, daarna heette het café ‘Rina en Pierre’, en op het laatst was er een truckstop in gevestigd.

Op het kruispunt in Moelingen worden de sporen van een latere oorlog zichtbaar. Een verkeersbord geeft in Belgische richting aan dat het American Cemetery Henri-Chapelle 16 kilometer verderop ligt. In Nederlandse richting wijst een verkeersbord naar het American Cemetery in Margraten, 12 kilometer. Langs de vijftig meter lange strook niemandsland is een wandelpad aangelegd. Withuis schijnt het tegenwoordig dan ook van de wandelaars te moeten hebben. De ANWB-wandelroute Noordzee-Limburg, die aansluiting geeft op de Grande Randonnée 5, tussen de Noordzee en de Middellandse zee, steekt hier de grens over.

Eijsden

De vertegenwoordigers van de Nederlandse staat besloten die tiende november naar het station van Eijsden te lopen om daar de beslissing van de Nederlandse regering af te wachten. Er zou echter weinig te besluiten zijn, omdat de keizer al op Nederlands grondgebied was. Ik maakte dezelfde wandeling die allereerst naar Mariadorp voert. Aan de rechterkant van de straatweg is in de verte achter een heuvel de kerktoren van Mesch te zien, waarvan de klokken door het keizerlijk gezelschap werden waargenomen.

De keizer zal een half uur over de wandeling naar het station van Eijsden gedaan hebben.

Het station

Bij Mariadorp sloeg het gezelschap de dwarsweg in, die leidt naar het station van Eijsden. De kerk van dit dorpje is waarschijnlijk in de oorlog verwoest, nu staat er een lelijke betonnen, mislukte Corbusier-imitatie. De mooie, met bomen omzoomde dwarsweg leidt ook langs de Zinkwitfabriek, waar sergeant Pinkaers in 1918 zijn overste opbelde om hem te informeren over de vlucht van de keizer. De Zinkwitfabriek werd in 1870 door Georges Rocour opgericht en luidde de industrialisering van Eijsden in. Zinkwit Nederland B.V. is inmiddels gefuseerd met Crossfield, en maakt tegenwoordig geen gebruik meer van het spoor als transportmiddel. De vele sporen die station Eijsden vroeger had, zijn nu teruggebracht tot twee. Eén keer per uur komt er van beide kanten een trein langs, de intercity tussen Maastricht en Brugge en/of Knokke/Blankenberge. Het kleine witte station is nog hetzelfde als in 1918, alleen is er een soort serre aangebouwd voor de kleine stationsrestauratie. Tussen de twee sporen is het NS-standaardperron aangelegd.

Het perron

De toenmalige stationschef in Eijsden, W. de Clercq, geeft een wat andere lezing van de komst van de keizer, deze zou volgens hem niet te voet vanaf Withuis zijn gekomen. Hij meldde aan de Heer Inspecteur der Exploitatie van de Spoorwegen in Maastricht dat op zondag 10 november om half acht, meerdere automobielen aan zijn station verschenen met daarin het keizerlijke gezelschap. De waarneming dat de keizer niet per voet, maar per auto zou zijn aangekomen, wordt echter door geen enkele andere ooggetuige gedeeld.

Op het perron van het station nam de 17-jarige HBS’er Vic Snickers op 10 november de beroemde foto van de ijsberende keizer en zijn gezelschap die wachten op de komst van de hoftrein. Deze kwam met een Duitse loc, een uur later, om kwart over negen in de morgen aan. In de tussentijd trakteerden de toegestroomde mensen de keizer op een fluitconcert en riepen ze ‘Ah, Kamerad Kaputt!’ en ‘Vive la France!’. Adjudant von Ilsemann schreef in zijn dagboek: “Men zag dreigende vuisten en andere weerzinwekkende blijken van afkeer. Men hoorde foei-geroep en er klonk schel gefluit. Het deed mij pijn tot in de ziel voor de arme keizer.”

Op 12 december 1978 schreef de toen 77-jarige Vic Snickers een ingezonden brief naar De Limburger waarin hij opmerkte dat op zijn originele foto bij de keizer zijn beroemde knevel werd bijgetekend. Om niet herkend te worden had Wilhelm II zijn snor teruggebracht tot kleinere proporties.

Snickers is een belangrijke ooggetuige, hij zou later de keizer nog in Doorn bezoeken. Hij sprak daar met Sigurd von Ilsemann, de trouwe vleugeladjudant van de keizer, en die liet toen meer los over de gebeurtenissen op 10 november dan hij in zijn boek Der Kaiser in Nederland: Aantekeningen van de laatste vleugeladjudant van Keizer Wilhelm II uit Amerongen en Doorn zou doen. De overgang van Moelingen naar Withuis zou volgens Ilsemann meer om het lijf gehad hebben dan in het boek is vermeld: “Het had maar weinig gescheeld of aan de grens was een bloedbad ontstaan.” Dit vooral door de bedreiging van anti-keizerlijke sentimenten die sterk leefden bij aanwezige Belgische arbeiders.

De hoftrein

Toen de geblindeerde hoftrein op het station aankwam, stapte het keizerlijke gezelschap in, om zich te onttrekken aan de nieuwsgierige blikken van de omstanders. Pas in de voormiddag arriveerden soldaten en politiemensen om de trein te bewaken. De trein bestond uit 11 groene hofrijtuigen, 6 goederenwagens en een benzolwagen. Volgens de lezing van stationschef de Clerq was er sprake van twee treinen die hij één voor één uit Visé liet halen. Later op de dag werden de hofauto’s op platte wagens geplaatst.

Een van de weinige andere foto’s die van de gebeurtenissen op 10 november is gemaakt, laat de wachthoudende groep Nederlandse officieren zien, met de keizerlijke trein met neergelaten jaloezieën op de achtergrond. Stationschef de Clerq bemerkte dat een groot aantal nieuwsgierigen naar het station was getrokken. Waalse vluchtelingen drongen op met spandoeken ‘Mort à l’Empereur’, waarop de wat wereldvreemde keizer aan zijn gevolg vroeg waarom die mensen toch zo boos waren. De Clerq liet het spoorwegperron ontruimen met behulp van de aangekomen militairen. Wilhelm II verbleef met zijn gezelschap bijna de gehele dag in het restauratierijtuig van de trein, wachtend op het bericht dat uit Den Haag zou moeten komen. Hij luchtte tegenover zijn gevolg zijn gemoed, zei dat hij in zijn regeringstijd steeds het goede had gewild en hoe hij eronder had geleden dat de oudere generatie hem steeds weer had overstemd. Tegen de middag kwam een bericht van Wilhelmina: zij betreurde de droevige toestand van de keizer, maar moest een beslissing overlaten aan de inmiddels bijeengeroepen ministerraad. Tegen vier uur ’s middags kwam het bericht dat Nederland de keizer zou ontvangen, pas tegen middernacht echter kwam er een officiële delegatie uit Den Haag om het nieuws mede te delen. Wilhelm II werd als vluchteling beschouwd en zou worden ondergebracht bij graaf Godard van Albenburg Bentinck op het slot Amerongen. In 1909 had de keizer een privé-bezoek gebracht aan diens broer, Willem Carel Philip Otto Bentinck. “Dat wij op deze dag uit Den Haag zo laat en zulke spaarzame mededelingen ontvingen, hield verband met het feit dat in Nederland ’s zondags alleen op bepaalde uren kon worden getelefoneerd”, tekende von Ilsemann in zijn dagboek aan.

Wat wist de Nederlandse regering?

Een belangrijke vraag blijft of de Nederlandse regering op de hoogte was van de komst van de keizer. Aan de grens bij Withuis werd door het keizerlijk gezelschap gezegd dat de Nederlandse regering op de hoogte was. De chef van de politieke afdeling van het Duitse gouvernement-generaal in Brussel had op negen november de Nederlandse minister-president, Van Vollenhoven, ingelicht. Deze stuurde een koerier naar Van Karnebeek met de mededeling, dat de keizer mogelijk die nacht nog naar Nederland zou vertrekken. Ook stuurde hij de al eerder genoemde Verbrugge naar Eijsden om de grenswacht de order te geven alle Duitse militaire auto’s door te laten. Deze zou echter te laat arriveren.

Uit hetgeen Wilhelmina in haar autobiografie Eenzaam maar niet alleen schreef over de bewuste novembermorgen lijkt te concluderen dat zij niet afwist van de komst van de keizer. De chef van het militaire huis van de koningin, generaal Van Heusz, was echter op 5 november naar het keizerlijk hoofdkwartier in Spa gereisd en ontmoette daar op 8 november Wilhelm. Vanaf die dag stond de keizerlijke trein onder stoom in Bressoux. Von Ilsemann noteerde over het bezoek van Van Heutsz in zijn dagboek: “Bij het middageten was een Hollandse generaal uitgenodigd, die zich bij de keizer wilde melden. Excellentie van Gontard vroeg de keizer, of hij, gezien de gebeurtenissen, niet liever van het gezelschap van deze vreemde heer verschoond wenste te blijven. De keizer beval echter, dat alles zo moest blijven als het was geregeld en onderhield zich aan tafel met de Hollander alsof er niets was gebeurd.”

Het is waarschijnlijk dat de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Van Karnebeek, al op de hoogte was van de komst van de keizer. Het is vreemd dat hij niet deelnam aan de besprekingen in de ministerraad over de komst van de keizer, terwijl die zaak toch in eerste instantie bij zijn bevoegdheid behoorde. Misschien om kritische vragen te ontlopen? Ook is het vreemd dat Van Vollenhoven vanuit Brussel een koerier, Verbrugge, stuurde om de keizer bij de grens door te laten, terwijl dat niet in zijn bevoegdheid lag. De verklaring van Van Heutsz dat hij naar Spa ging om de militaire situatie te bestuderen en dat hij totaal verrast was door de troonsafstand van de keizer, lijkt onaannemelijk. Zeker omdat Van Heutsz op 9 november dezelfde weg naar Nederland zou nemen, als de keizer 12 uur later. Het antwoord op de vraag of de Nederlandse regering meer wist dan zij beweerde, ligt misschien opgeslagen in het Koninklijk Huisarchief of is verdwenen in de rook van verbrande documenten die Wilhelmina in haar laatste jaren op het Loo veroorzaakt.

Wilhelm de Derde

Het kortstondige verblijf van de Keizer in Eijsden leeft 75 jaar later niet echt meer. De man van de VVV spreekt zelfs over Wilhelm de Derde en weet alleen te vertellen dat er ooit een puzzelrit is gehouden waarbij de cryptische omschrijving ‘IJsberend in Eijsden’ door bijna niemand van de deelnemers werd begrepen. De VVV-man verwijst me naar sigarenmagazijn Pachen in de Wilhelminastraat waar men meer zou kunnen vertellen. Die winkel is echter op donderdagmiddag gesloten.

Het mooie, beschermde dorpsgezicht van Eijsden zou later dienst doen als decor voor de KRO-serie ‘Dagboek van een herdershond’ en de weinige toeristen die het dorp nu aandoen komen vooral om de omgeving van de hoofdfiguur van die serie, Kapelaan Odekerke, te bekijken.

Wilhelm II vertrok op 11 november om kwart over negen met de trein vanuit Eijsden naar Amerongen. “Een dag vol smaad en schande,” noteerde Von Ilsemann, “over Maastricht, Roermond, Venlo, Nijmegen en Arnhem reed de trein naar het station Maarn. Het hele land wist van de tocht van de Duitse keizer. In alle steden, dorpen en zelfs langs de spoorbaan stonden de mensen bij duizenden. Overal tot Arnhem gejoel, gefluit, opgeheven vuisten en het gebaar hals afsnijden. Het was ronduit weerzinwekkend. Waarom kon men de keizer dat niet besparen.”

De smaad over de vlucht van de keizer zou ook door keizergezinden worden gedeeld. Wilhelm-biograaf Emile Ludwig schreef teleurgesteld: “In het uur van de hoogste nood liet je iedereen in de steek, je vrouw, je kinderen en je onderdanen. Uit angst vergooide je de eer van de voorvaderen. Je land verzonk in een chaos en terwijl milijoenen niets bleef dan honger en slavernij, kroop jij, die bij je volk behoorde te zijn, in je trein en trok er tussenuit.”

De opgewekt pratende keizer leek zich op 11 november 1918 echter totaal niet bewust van zijn situatie. De Duitse gezant in Den Haag, Rosen, die hem vanaf Eijsden begeleidde, was pijnlijk getroffen door de wijze waarop de keizer zijn abnormale geestesgesteldheid en waandenkbeelden tegenover iedereen waarmee hij die dag praatte, aan de dag legde. Rosen schreef daarover in zijn memoires: “Es was für mich doch etwas beklemmend dasz der Kaiser die mitfahrenden Holländer mit einer so weitgehenden Intimität in der Unterhaltung beehrte.”

Huis Doorn

Op 28 november ondertekende Wilhelm II de officiële akte van zijn troonsafstand als keizer van Duitsland en koning van Pruisen. Hij zou later verhuizen naar Huis Doorn, waar hij de tijd ondermeer vulde met houthakken. Nog voordat hij Huis Doorn betrok waren er al 470 bomen in het park gesneuveld. In 1940 kreeg hij – ondanks het verbod van Hitler hierop – bezoek van Duitse soldaten. Op 3 juni 1941 overleed hij. Op 12 september 1944 staken, op enkele honderden meters van de plaats waar Wilhelm II op 10 november 1918 Nederland binnenkwam, geallieerde legers de grens over om de Duitse troepen te verdrijven.

Stefan Louwers

Met dank aan Cecile Frijns van de Gemeente Eijsden en de Stichting Eijsdens Verleden.

Literatuur

Sigurd von Ilsemann, Der Kaiser in Nederland: Aantekeningen van de laatste vleugeladjudant van Keizer Wilhelm II uit Amerongen en Doorn (Baarn 1968).

J.A. de Jonge, Wilhelm II (Amsterdam 1986).

Mr. Dr. C. Smit, ‘Komst van de Duitse keizer naar Nederland’, Nederland in de Eerste Wereldoorlog, Deel III (Groningen 1971-1973) 128-135.

Jo Wijnen, ‘De Grote Vernedering begon in Eijsden’, De Limburger, 4 november 1978.

Vic Snickers, ‘Foto’, De Limburger, 12 december 1978.

P. Oets, ‘Aankomst van de Duitse Keizer te Eysden op 10 november 1918’, Spoor- en Tramwegen 11, 23 mei 1957.

‘De Duitse Keizer naar ons land’ en ‘Wilhelm II in ballingschap’, De Koppeling, 15 november 1968.

Henri P.J. Warnier, ‘De bevrijding van Eijsden door de Amerikanen’, Eijsdens Verleden 27/28, november 1984.

Verleden Tijd Schrift 3 (1993) 23-28.

Postscriptum “Vaste rubrieken vormden een belangrijke basis voor het blad. In ‘Ergens in …’ werd een bepaalde plaats uit historisch perspectief benaderd.”

Joost Rosendaal, ‘Van actie en confrontatie naar harmonie en verdieping – De historie van de geschiedenisbladen aan de Nijmeegse universiteit, 1968-2006’, ET•VT 2 (2006) 96.