“Mit dem Ruecken an einer kurzer Betonsockel gelehnt eingeschlafen, August 1981”

Graceland 1984-1992

Paul Simon, The Graceland Tour, 18 juni 1989, Goffertpark, Nijmegen © 2025, 1989 Stefan Louwers

Sun City – inleiding

Sun City is een luxe vakantieoord in Zuid-Afrika. ‘Whites Only’ was tot voor kort het credo. In de westerse media is Sun City vaak gebruikt als symbool voor de apartheidspolitiek en haar sociale consequenties. Als onderdeel van het amusementsprogramma kregen de gasten regelmatig westerse popsterren voorgeschoteld. De Amerikaans popartiest trad nooit op in Sun City. Hij werd wel twee keer gevraagd, zowel solo als met Simon & Garfunkel, voor bedragen van zes cijfers. Beide keren weigerde hij. Een dergelijk optreden in Zuid-Afrika was volgens hem te vergelijken met een optreden voor de nazi’s ten tijde van de Holocaust. In 1985 maakte hij in Zuid-Afrika wel opnamen met zwarte muzikanten voor zijn album ‘Graceland’. “Ik trad op voor de joden,” zou Simon later ter verdediging aanvoeren.

Simon werd nog tijdens de opnamen van ‘Graceland’ gevraagd om mee te werken aan een ‘Sun City’-album. Diverse Amerikaanse artiesten verenigden zich onder leiding van Stevie Wonder en Steve van Zandt tegen de apartheidspolitiek van Zuid-Afrika. Paul Simon deed uiteindelijk niet mee aan het album omdat de originele demo (proefopname) namen noemde van artiesten die in Sun City hadden opgetreden. Daarbij werd ook de naam van Linda Ronstadt genoemd. Met haar zong Simon op ‘Graceland’ het duet ‘Under African Skies’. Simon vond dat hij het ten opzicht van zijn goede vriendin niet kon maken om op de single ‘I ain’t gonna play Sun City’ te zingen. Daarnaast was hij bang dat hij met zijn bijdrage de Zuidafrikaanse artiesten die aan ‘Graceland’ meewerkten, kon schaden.

De single ‘Sun City’ vestigde in 1985 opnieuw de aandacht op de culturele boycot tegen Zuid-Afrika. Veel artiesten besloten er in het vervolg niet meer op te treden. Een jaar later kwam ‘Graceland’ uit, een ongunstiger moment had bijna niet gekozen kunnen worden. Simon kreeg alle wind van voren, bij gebrek aan andere bekende artiesten die de culturele boycot na de ‘Sun City’-single nog hadden durven te schenden. Paul Simon vroeg aan het begin van de ‘Graceland’-tour in 1987 aan Hugh Masekela wat deze dacht over zijn project. Masekela zei: “Ik weet niet of je fout bent, maar als het zo is, verdienen Queen, Elton John, Rod Stewart, Ray Charles, en George Benson de doodstraf. Zij speelden in Sun City, namen geld mee uit Zuid-Afrika en lieten niet eens een plectrum achter.”

In november 1991 gaf Paul Simon een persconferentie waarbij hij aankondigde begin 1992 als eerste westerse artiest in Zuid-Afrika op te treden. Simon zei dat hij niet in Sun City zou optreden, totdat de Zuidafrikaanse muzikantenvakbond dit toe zou staan aan internationale artiesten. Sun City is inmiddels al wel geaccepteerd terrein voor zwarte Zuidafrikaanse artiesten, zodat misschien binnenkoort ook artiesten van buiten Zuid-Afrika er zonder gewetenswroeging kunnen gaan optreden.

‘Graceland’ 1984-1992

Aan de hand van het bovengenoemde Sun City kan men een goed beeld schetsen van de ontwikkelingen in het Zuid-Afrika van de afgelopen tien jaar en de rol die popmuziek en politiek daarin speelden. Hetzelfde gaat op voor de verschillende controversen rondom het ‘Graceland’-project van Paul Simon.

Het doel van dit essay is het schetsen van de verschillende controversen, die eigenlijk begonnen met het bezoek dat Paul Simon in 1985 aan Johannesburg bracht en min of meer eindigden met de concerten die hij in 1992 in Zuid-Afrika gaf.

De beschrijving van bovenstaande gebeurtenissen zal worden geïllustreerd met fragmenten uit interviews met betrokkenen. Uitspraken van Paul Simon zelf zullen logischerwijs veel aan bod komen, maar ook de meningen van zijn critici komen aan de orde.

In een proloog zal wat meer worden verteld over Paul Simon en zijn beweegredenen voor het ‘Graceland’-project. In een epiloog zal worden gekeken naar de effecten die de controversen bewerkstelligen.

Voor het verkrijgen van informatie is gebruik gemaakt van artikelen uit de internationale pers. Belangrijke literatuur en bronvermeldingen zijn in de tekst verwerkt.

Ondanks mijn waardering voor de muziek van Paul Simon heb ik gepoogd de ‘Graceland’-discussie zo objectief mogelijk weer te geven.

Stefan Louwers

1989 © 2026 Archief Stefan Louwers

New York 1985 – proloog

In de herfst van 1985 had journalist Bill Flanagan een afspraak met Paul Simon voor een interview dat hij wilde publiceren in zijn boek over songschrijvers: ‘Written in My Soul’. Simon stapte gekleed in een regenjas en met een gleufhoed op, uit zijn limousine en nam de lift naar zijn kantoor in het luxueuze Brill Building in New York. Dertig jaar eerder probeerde hij zijn kwaliteiten als zanger en tekstschrijver te verkopen aan één van de platenmaatschappijen die in het gebouw gevestigd waren. Nu bezat Paul een gedeelte van het pand dat op Broadway lag, midden in zijn geliefde Manhattan.

Tussen 1964 en 1970 had hij wereldwijd succes gheda met zijn jeugdvriend Art Garfunkel. Hun laatste plaat ‘Bridge Over Troubled Water’ uit 1970 behoort inmiddels tot één van de succesvolste uit de popgeschiedenis. Na de Simon & Garfunkel-periode bouwde Simon in de jaren zeventig een solocarrière op, waarmee hij zijn hoge niveau als ‘singer/songwriter’ bewees.

Simon & Garfunkel

Het reünieconcert van Simon & Garfunkel in Central Park in 1981 werd door een half miljoen bezocht, en was derhalve een groot succes. Simon & Garfunkel gaven in 1982 en 1983 over vrijwel de gehele concerten. Er was zelfs sprake van een nieuw album van het duo, maar oude meningsverschillen kwamen terug. Het ging Simon steeds meer tegenstaan dat Garfunkel op de door hem geschreven songs meezong. Hij besloot de zangpartijen van Garfunkel van de band te wissen en bracht in 1983 ‘Hearts and Bones’ als solo-plaat uit. Het werd in commercieel opzicht een grote flop. De tweede in rij, na de film en het album ‘One-Trick Pony’ uit 1980.

In de zomer van 1984 dacht Paul Simon helemaal niet meer aan muziek. Zijn tweede huwelijk was zojuist uitgelopen op een scheiding. Het enige wat hij deed, was voor zijn zoon zorgen en uit het raam van zijn huis op Long Island naar de zee staren. Totdat een bekende van hem, de New Yorkse gitariste Heidi Berg, een cassette in zijn auto liet liggen. ‘Gumboots: Accordion Jive Hits, Volume II’ stond er op het hoesje. Het was een verzameling van traditionele ‘Township Jive’-muziek uit het Zuidafrikaanse Soweto.

Paul Simon draaide het bandje die hele zomer, als hij tijdens lange autoritten probeerde na te denken over zijn persoonlijk problemen. De muziek deed hem denken aan de vroege rock ’n roll uit zijn jeugd. Over de opwindende en vrolijke ritmes heen zong hij zijn eigen meldodieën. Zonder het te beseffen, was hij spontaan al bezig met het werken aan een nieuw project.

Zuid-Afrika

Paul Simon wist eerst niet uit welk land de muziek van de cassette afkomstig was. Toen hij hoorde dat de muziek uit Zuid-Afrika kwam, dacht hij nog dat het gemakkelijker zou zijn geweest als de muziek uit Kenya of Zimbabwe was gekomen. Maar later besefte hij dat de muziek nu eenmaal uit Zuid-Afrika kwam: “Wat had ik dan moeten zeggen? Ik vind die muziek niks omdat het uit een land komt met een proto-fascistische regering? Waarom zou ik daarom minder van die muziek houden?”

Van Jamaica naar Zuid-Afrika

Simon nam contact op met de blanke Zuidafrikaanse platenproducer Hilton Rosenthal. Deze stuurde hem vervolgens een twintigtal platen met een heel scala aan zwarte Zuidafrikaanse muziek. Eerder in zijn carrière had Simon al geleerd dat je nooit moest proberen originele ritmes in een platenstudio na te spelen. Je moest juist naar de plek gaan waar die ritmes waren ontstaan. De Engelse popjournalist Charles Shaar Murray bekritiseerde in zijn boek Shots from the Hip deze beslissing: “Het is mogelijk om Zuidafrikaanse muzikanten op te nemen zonder een voet in Botha-land te zetten; Hugh Masekela doet dat perfect in zijn mobiele studio net over de grens in Botswana en zijn niveau is hoog.” Simon wou echter uitgaan van de muzikale interactie ter plekke. “Ik ging geen archiefalbum maken Zuidafrikaanse muziek. Maar een album van mijn muziek met muzikanten met wie ik kon samenspelen.”

Verschillende muziekstijlen

Eerder in zijn solocarrière werkte Simon al buiten het geijkte spectrum van de popmuziek. Maar er was volgens hemzelf een verschil met zijn vorige pogingen om verschillende muziekstijlen te versmelten: “Dit is de eerste keer dat ik me echt in een stijl heb verdiept, in plaats van een vlugge schets te geven zoals ik deed met gospel en reggae. Ik heb nu geprobeerd mijn muzikale denken met het hunne te integreren, zodat het resultaat noch van mij noch van hen zou zijn.

Hij deed iets dergelijks al in 1971 voor het opnemen van het reggaenummer ‘Mother And Child Reunion’. Daarvoor ging hij naar Jamaica. Ditmaal dacht hij – ietwat naïef – op dezelfde wijze naar Zuid-Afrika te kunnen gaan. De culturele boycotbepalingen van de Verenigde Naties verboden weliswaar het optreden in Zuid-Afrika, maar zeiden niets over het opnemen in dat land.

Simon moet toch al iets van de politieke storm die later zou opkomen, gevoeld hebben toen hij besloot naar Zuid-Afrika te gaan. Vòòr de reis won hij advies in bij Amerikaanse collega’s die in contact stonden met de zwarte Zuidafrikaanse muziekgemeenschap: Quincy Jones (die bekend werd als producer voor onder andere Michael Jackson) en Harry Belafonte.

Afrikaanse musici

Die middag in de herfst 1985 in New York raakte Paul Simon tegenover Bill Flanagan niet uitgepraat over de nieuwe plaat waaraan hij werkte. Een titel was toen nog niet bekend. Wel bekend was dat er veel nummers met Afrikaanse musici waren opgenomen. Simon was voor die opnamen eerder dat jaar naar Zuid-Afrika gevlogen. Dat die vliegreis over de Atlantische oceaan een brug over politiek troebel water zou betekenen, besefte hij toen nog niet.

Bridge over troubled water – Paul Simons bezoek aan Zuid-Afrika in 1985

Simon kwam in het begin van 1985 incognito aan op het Jan Smuts Airport in Johannesburg. Getooid met zonnebril en hoed leek het erop dat hij zich bewust was van de politieke implicaties van deze reis, die bedoeld was om muziek met zwarte Zuidafrikanen op te nemen.

Zijn eerste avond in Zuid-Afrika bracht Simon door ten huize van producer Hilton Rosenthal. Hij sprak daar met verschillende Zuidafrikaanse muzikanten die hem vertelden dat er een stemming over Simons komst was gehouden. Iets wat hij niet van tevoren had geweten. De uitslag werd hem niet verteld, maar het feit dat hij in Zuid-Afrika was, bevestigde voor hem het idee dat de stemming positief uitgevallen moest zijn. De zwarte Zuidafrikaanse muzikanten hoopten van Simons uitstraling gebruik te kunnen maken om hun muziek meer bekendheid te geven. Ze leden volgens henzelf onder een dubbele apartheid: in hun land hadden ze te kampen met een verschrikkelijk repressieve regering, en tegelijkertijd slaagden ze er niet in hun muziek de grens over te krijgen.

Culturele uitwisseling

Paul Simon vond dat muzikanten een standpunt over Zuid-Afrika moesten innemen, en dat een culturele boycot noodzakelijk was. Daarnaast volgens hem de uitwisseling van verschillende culturen zeer belangrijk en creatief verrijkend: “Culturele uitwisselingen brengen mensen dichter bij elkaar en vergemakkelijken de dialoog.”

Tweeënhalve week bracht Simon door in de Zuidafrikaanse Ovation Studios. Eén dag ging hij met de bekende Zuidafrikaanse artiest Sipho Mabuse naar Soweto, het zwarte ghetto dat Simon zich had voorgesteld als een ghetto in New York. In werkelijkheid was Soweto veel groter. Ook viel de onderhuidse spanning die er heerste hem op.

In de winkel van Sipho’s schoonvader vroeg iemand aan de man die werd voorgesteld als degene die ‘Bridge Over Troubled Water’ had geschreven, wat hij van Zuid-Afrika vond. Simon antwoordde dat hij het ‘nice’ vond, een interessant land, de mensen waren er aardig. De man zei daarop dat het een ‘shitty country’ was, waarna Simon zei: “Ik realiseerde me niet dat je wilde horen wat ik werkelijk dacht.”

Volgens Paul Simon maakte de uitwerking van de apartheidspolitiek in het dagelijks leven ook de opnamen in de studio moeilijk: “We begonnen ’s middags op te nemen en stopten als we een track af hadden. Dan kont het buiten al donker zijn en moesten de muzikanten een manier vinden om naar huis te gaan. Ze konden het openbaar vervoer niet gebruiken. Ze mochten niet in de straten van Johannesburg zijn na zonsondergang. Want dan moesten ze papieren laten zien en dat deden ze liever niet. Dus rond zes, zeven uur was er altijd een moeilijke tijd wanneer de muzikanten zich niet konden concentreren totdat ze wisten of er misschien een auto was om ze naar huis te brengen.”

Simon kreeg de meeste groepen waarmee hij wilde samenwerken in de studio, op één groep na. “Een groep waarvan iedereen wilde dat ik met hem opnam, was The Soulbrothers. Goed, breng die muzikanten maar naar de studio, dacht ik. Op woensdag zouden ze komen. Maar woensdag kregen we te horen dat ze een andere afspraak hadden. Toen zouden ze op donderdag komen. Maar er was een ander excuus. Vrijdag kreeg ik te horen dat The Soulbrothers vanuit de Verenigde Staten waren opgebeld door iemand die zei: ‘Neem niets met Paul Simon op’. Ik ben nooit te weten gekomen waar het gesprek vandaan kwam, ik weet ook nog steeds niet waarom. Politiek speelt dus een grote rol, hoe je het ook wendt of keert.”

Culturele shock

Simon nam de banden die hij had opgenomen in Johannesburg mee terug naar New York, waar hij verder zou werken aan het album. Vijf van de in Zuid-Afrika opgenomen nummer zouden uiteindelijk voor ‘Graceland’ worden gebruikt. Om het album af te maken, liet Simon de Zuidafrikaanse groep Stimela overkomen naar New York. Zij beleefden evenals Simon in Zuid-Afrika een ‘culture-shock’. De muzikanten hadden nog nooit gevlogen en waren nooit eerder hun land uit geweest. Drummer Isaac Mtshali vroeg aan Simon waar hij naar toe moest om zich bij de politie te laten registreren. “We vertelden hem dat dat niet hoefde, dat je kon gaan en staan waar je wilde, dat je alleen niet ’s nachts door Central Park moest gaan wandelen, ook als blanke niet.”

Simon betaalde de Zuidafrikaanse muzikanten een driedubbel studiotarief, niet om – zoals later verondersteld werd – zijn geweten af te kopen, maar omdat westerse topmuzikanten ook zo’n tarief krijgen.

Daarnaast deelde Simon voor het eerst in zijn carrière de auteursrechten van verschillende songs met de Zuidafrikaanse musici. Dat zou kunnen wijzen op de schuld die Simon voelde tegenover de muzikanten die hem inspireerden. Maar wie luistert naar de originele nummer waardoor Simon geïnspireerd werd, weet dat er alleen sprake is van rechtvaardigheid. Een aantal van de vijf in Zuid-Afrika opgenomen nummers zijn eigenlijk ‘covers’ van al bestaande nummers. 

Dat Simon niet in alle gevallen zo genereus was, wordt bevestigd door een kleine affaire rondom het nummer ‘All Around The World Of The Myth Of Fingerprints’ dat werd opgenomen met Los Lobos, een groep uit Los Angeles. Deze dachten er zelfs over om Simon aan te klagen. Simon beweerde dat hij de song geschreven had, terwijl Los Lobos vond dat zij de auteurs waren. Ze veronderstelden dat Paul Simon wel wat songs zou hebben: “Paul Simon, die heeft songs in overvloed, is het niet? Maar hij had niets. Hij wachtte tot wij wat zouden schrijven en zo werken wij niet.” Paul Simon was boos over deze negatieve publiciteit en zei het dat het zijn werkwijze was om eerst een sessie te spelen en dan pas de song te maken. Als hij de kritiek eerder gehoord had, zou hij dit nummer met Los Lobos – volgens hem de minst belangrijke – van ‘Graceland’ hebben verwijderd.

A shot at redemption – reacties na het uitbrengen van ‘Graceland’ in 1986

In september 1986 kwam het album ‘Graceland’ in de platenzaak te liggen. De eerste single ‘You Can Call Me Al’ was al een grote hit geworden, mede door de amusante videoclip die Paul Simon opnam met komiek Chevy Chase. Het album zelf werd zowel een artistiek als commercieel succes. Veel critici zagen het belang van het comeback-album. Popjournalist Stan Rijven benadrukt (in navolging van Simon zelf) dat ‘Graceland’ vooral een terugkeer naar Simons jeugd was, met als symbool de naam van Elvis Presley’s huis in Memphis.

‘Graceland’ is daarmee ook een symbool voor het Amerika van de jaren vijftig, dat in veel opzichten lijkt op Zuid-Afrika in de jaren tachtig. In Amerika waren de vijftiger jaren een tijd van vrolijke onbezonnen muziek, met daarnaast toenemende raciale spanningen. De eerste die toen blanke country & western combineerde met zwarte rhythm & blues was Elvis Presley. Later slaagde Johnny Ace erin populair te worden bij zowel het zwarte als het blanke publiek, terwijl deze in Amerika toen nog gescheiden moesten zijn. Simon schreef over Johnny Ace die zichzelf tijdens een spelletje Russische Roulette in 1954 door het hoofd had geschoten, het nummer ‘The Late Great Johnny Ace’ dat de laatste song van ‘Hearts and Bones’ was. Met ‘Graceland’ probeerde Paul Simon volgens Stan Rijven in navolging van Presley en Ace een trait d’union op mondiaal niveau te worden, door Amerikaanse en Afrikaanse muziek te vermengen.

De zoektocht naar de wortels van de muziek, de zogenaamde ‘roots’, wordt gesymboliseerd door de hoes van ‘Graceland’. Daarop is een uit een Koptisch klooster in Ethiopië afkomstige afbeelding van Sint Joris te zien. Ethiopië wordt gezien als het ‘zwarte’ moederland, omdat het nooit langdurig door blanken overheerst is. De kleuren van de Ethiopische vlag – rood, geel en groen – worden daarom veel als symbool gebruikt, bijvoorbeeld in de Jamiacaanse reggaecultuur.

Zwarte cultuur

Veel popjournalisten stelden dat Simons album belangrijk was door de belangstelling die er uit sprak voor andere culturen. Jim van Alphen schreef in Het Parool dat Simon met dit album meer begrip heeft gekweekt voor andere culturen dan dertig congressen over culturele uitwisseling ooit zouden kunnen.

Alfred Bos verdedigde Simon in NRC Handelsblad tegen het verwijt dat hij een cultureel kolonialist zou zijn. “Simons bedoeling stond lijnrecht tegenover het cultuurimperialisme waarvan troebele geesten heb hebben beschuldigd. Als geïnteresseerde westerling kwam hij naar de Derde Wereld om te leren, niet om te doceren.” Het argument dat Simon met zijn opmerkelijke onderneming de culturele boycot van Zuid-Afrika zou hebben doorbroken, was volgens Bos een bedenkelijke omkering van de feiten. Via ‘Graceland’ bracht hij juist de zwarte cultuur van Zuid-Afrika onder de aandacht van een breed, westers publiek dat nooit stilstond bij de importbakken met Afrikaanse popmuziek.

Culturele boycot

De discussie over het al dat niet doorbreken van de culturele boycot zou echter al snel de bewondering voor de muziek van ‘Graceland’ gaan overheersen. Veel recensenten en journalisten waren vaak wel over deze muziek te spreken, maar niet over de wijze waarop ze tot stand gekomen was. De affaire rondom ‘Graceland’ ontstond vooral omdat Simon – zonder aan iemand toestemming te vragen – dacht opnamen te kunnen maken in Zuid-Afrika. Over een dergelijk geval werd in de regeling over de culturele boycot niets gezegd. Daarnaast zou Simon geen duidelijke anti-apartheidsstelling op ‘Graceland’ hebben ingenomen. 

Robin Denselow onderzocht in zijn boek over popmuziek en politiek When The Music ’s Over uitgebreid de ‘Graceland’-affaire. Volgens Denselow ging Simon met zijn album recht in tegen de succesvolle boycot-campagne die net na de ‘Sun City’-single op haar hoogtepunt was. Denselow onderkent dat ‘Graceland’ een artistiek succes was, maar viel over het feit dat in de songs en hoestekst niets tegen het rascistische regime gezegd werd. Simon zei tegen Denselow tijdens een Londense persconferentie dat hij niemand om toestemming had gevraagd: “Niet aan het ANC, Buthelezi, Desmond Tutu, de regering van Pretoria. Alleen aan de muzikanten.” Ook vertelde hij dat een omverwerping van de Zuidafrikaanse regering weinig goeds zou brengen: “Om je de waarheid te vertellen. Ik heb het gevoel dat bij radicale machtswisselingen, links of rechts, de artiesten altijd zullen lijden. Zij met de geweren hebben het voor het zeggen, zij met een gitaar hebben geen kans.”

Popmuziek en politiek

Dit commentaar maakte muzikant Jerry Dammers van de organisatie van artiesten tegen apartheid (AAA) woedend: “Wie denkt hij wel dat hij is. Hij helpt misschien dertig mensen en hij beschadigt de solidariteit over de sancties. Hij denkt dat hij de vrijheid dient, maar hij is naïef. Hij doet meer slecht dan goed.

Denselow betreurt het dat Simon niet de VN en het ANC had geconsulteerd voor hij naar Zuid-Afrika ging. De affaire rondom ‘Graceland’ had zo voorkomen kunnen worden. “Zoals het nu ging, moet het regime van Botha in haar vuistje hebben moeten lachen.” Denselow noemt Simons stelingname arrogant. Dat weerhield hem er echter niet van om de repetities voor de ‘Graceland’-tour in 1987 de meest opvallende te noemen, die hij ooit gezien had.

Journalist Charles Shaar Murray die ‘Graceland’ muzikaal goed vond, was eveneens niet zo te spreken over Simons politieke en sociale bewustzijn. Hij vergeleek de joodse Paul Simon met een musicus die naar Berlijn ging in de jaren dertig om muziek op te nemen met joodse muzikanten, vervolgens het onderwerp van nazisme in zijn teksten meed, en in de hoestekst niets vermeldde over het systeem dat al die muzikanten onderdrukte.

Collega-muzikanten

Zoals Simon tijdens een persconfentie al had gezegd, wilde hij alleen naar muzikanten luisteren bij het maken van ‘Graceland’. Verschillende van zijn collega-muzikanten die aandacht schonken aan niet-westerse muziek reageerden op ‘Graceland’. Peter Gabriel, het Engelse equivalent van Paul Simon, zei dat hij van ‘Graceland’ hield, maar vond daarnaast dat Simon niet helemaal juist had gehandeld en wat naïef was geweest. “Ik denk dat hij zeer overstuur was door het oproer dat ontstond. Toen de opnamen klaar waren, hoorde hij dat de boycot ook gold voor studiowerk. Ik denk dat dat eerst onbekend bij hem was., maar ik denk dat hij de mogelijke consequenties eerder had kunnen voorzien en vooraf een sterkere verklaring had kunnen geven.”

Johnny Clegg van de Zuidafrikaanse multiraciale band Savuka vond dat de culturele boycot niets meer te maken had met de realiteit, omdat ook de cultuur van de onderdrukte zwarte meerderheid werd geboycot. Over Paul Simon zeie hij dat deze de Afrikaanse muziek een grote dienst bewezen heeft. “‘Graceland’ is populair bij de zwarte bevolking van Zuid-Afrika. Je hoort het overal. In taxi’s, treinen en restaurants. het brengt mensen terug naar hun muzikale achtergrond. Hij heeft ze er een nieuw perspectief op gegeven.”

Cultureel kolonialisme

Naast de kritiek op het doorbreken van de culturele boycot, was er het verwijt dat Simon de Afrikaanse muzikanten zou hebben gebruikt om succes te behalen. Dit verwijt werd verwoord met de beladen term ‘cultureel kolonialisme’. Paul Evers schreef in OOR dat Simons motieven dubbelzinnig waren: “Natuurlijk heeft hij de zwarte man geëxploiteerd, zoals de Zuid-Afrikaan hem heeft uitgebuit. Natuurlijk heeft slimme Simon een even slimme commerciële zet gedaan door in tijden van uitholling van de blanke pop en groeiende interesse voor de zwarte cultuur ‘Graceland’ in te zetten.” Evers heeft daar geen bezwaar tegen: “Tenslotte is de geest vrij, is de muziek vrij en onderwerpt die zich aan geen regering of comité.” 

Toch klinkt hier het verwijt van misbruik sterk in door. De redenering dat Simon Zuidafrikaanse muziek gebruikte om succes te behalen klopt echter niet. Toen Simon begon met het ‘Graceland’-project was er nog geen sprake van succesvolle fusies van Afrikaanse en popmuziek. Gert van Veen sprak in de Volkskrant eveneens tegen dat Simon op een handige manier zou hebben ingespeeld op een trend om zijn eigen carrière uit het slop te halen. “Dat lijkt onwaarschijnlijk. Weliswaar is een aantal jaren voorspeld dat de Afrikaanse muziek de nieuwe trend zou worden, maar zover is het nooit gekomen. Typerend is dat het in 1985 verschenen album ‘The Indestructable beat of Soweto’ (met daarop ook Township Jive) bijna geheel aan de aandacht van het grote publiek is voorbij gegaan.” 

Peter Gabriel benadrukte dat Simon een traditie heeft in dergelijke projecten: “Hij was de eerste blanke muzikant met succes die reggaemuziek serieus nam. Reggae was niet in op dat moment. Hij creëerde interesse in Zuidamerikaanse muziek en volksmuziek en dat hielp muzikanten werk te krijgen in Europa en Amerika. En hij heeft de status van Zuidafrikaanse muziek met dit album (‘Graceland’) verhoogd.”

Simon in de verdediging

Terwijl Simon met ‘Graceland’ de aandacht wilde vestigen op de muziek die hem geïnspireerd had, bleef tijdens de meeste persconferenties en interviews de culturele boycot het onderwerp. Toen de politieke storm rondom ‘Graceland’ op haar hoogtepunt was, in januari 1987, hield Simon een serie spreekbeurten aan Amerikaanse universiteiten. Daarbij was vooral de reactie van zwarte studenten vaak heftig. Op de overwegend zwarte Howard University in Washington DC trof Simon een vijandig publiek aan. Iemand uit het publiek vroeg hem hoe hij kon rechtvaardigen dat hij naar Zuid-Afrika was gegaan en Zuidafrikaanse muziek mee terug had genomen: “Te lang hebben artiesten zwarte muziek gestolen. Jij neem het mee terug en gooit het in mijn gezicht. Het is niets anders dan stelen!”

Politieke statements

Naast de bezwaren over Simons handelwijze misten critici directe politieke statements op ‘Graceland’. Voor wie Simons manier van tekstschrijven beter kent, is de reden hiervoor duidelijk: Simon construeert zijn songs rondom woorden en zinnen die uit zijn onderbewustzijn komen, naar aanleiding van de muziek die hij beluistert. Simon ging er dus niet met zijn gitaar en blocnote voor zitten om zijn anti-apartheidssong te schrijven. “Mijn kracht ligt niet in de politieke song. ‘Homeless’ bijvoorbeeld heb ik niet bewust geschreven als een politiek nummer. Ik begon gewoon te schrijven. Ik laat de songs vanuit mijn onderbewustzijn omhoog komen. Als daar dan een politieke betekenis aan zit, is dat prima. Maar ik heb nooit het idee gehad om met ‘Homeless’ een anti-apartheidsnummer te schrijven.”

Voor betere luisteraars en lezers is op ‘Graceland’ een wat subtielere boodschap wel duidelijk aanwezig. De song ‘Homeless’ was een verwijzing naar de situatie waarin veel zwarte Zuid-Afrikanen zich bevonden. De laatste song van ‘Graceland’, ‘All Around The World Or The Myth Of Fingerprints’, was nog wat explicieter. Als metafoor voor mensen uit allerlei landen en culturen gebruikt Simon vingerafdrukken die bij ieder persoon anders zijn. Volgens de song gaat het hier echter om een mythe: “I’ve seen them all and man / They’re all the same.”

Als je terugkijkt naar de eerste twee serieuze songs die Simon ooit schreef, wordt zijn anti-racistische houding duidelijker. Toentertijd hanteerde hij namelijk nog niet zijn subtiele en ‘sophisticated’ songschrijfmethode. De eerste song stamt uit 1963 en heet ‘A Church Is Burning’ en handelt over de Ku Klux Klan die kerken van zwarten in de brand steken, maar daarmee volgens Simon niet de toekomstige vrijheid kunnen tegenhouden. De andere song, ‘He Was My Brother’, is persoonlijker en gaat over de moord op drie jonge burgerrechten-activisten die door de Ku Klux Klan in juni 1964 werden vermoord. Eén van hen, Andy Goodman, kende Simon van dramalessen op de Queens universiteit. Hij hoorde het nieuws in Parijs, in het American Express-kantoor: “Ik moest naar buiten gaan, wou overgeven. Ik was zo in paniek en bang.” Simon uitmaken voor racist, zoals door sommigen in de hitte van de discussie werd gedaan, is dan ook onzin. In de hoogtijdagen van Simon & Garfunkel, 1969, verklaarde Simon waar hij politiek stond: “Ik weet waar mijn sympathieën liggen, ze zijn bij de jeugdbeweging, Black Power en New Left.”

Ondanks al zijn tegenwerpingen was Simon onderwep geworden van een hard publiek debat. Behalve de uitleg die hij verschafte, wilde hij op een andere wijze een goede afloop van het ‘Graceland’-avontuur. Eind 1986 vroeg hij aan de Zuidafrikaanse balling Hugh Masekela, wat hij na alle commotie rondom ‘Graceland’ moest doen. Masekela zei: “We moeten Miriam Makeba zoeken, en samenspelen in een show, omdat dat ‘Graceland’ wettig maakt, en we mensen zullen bereiken die we nog niet bereikt hebben.”

All around the world – de ‘Graceland’-tour in 1987

Naast het idee van Masekela was ook het immense succes van ‘Graceland’ een reden voor een concert-tour die Europa, Amerika, en Zimbabwe zou aandoen. Meer dan het album had de ‘Graceland’-tour een duidelijk anti-apartheids-stempel. Simon stond op het podium met vijfentwintig zwarte Zuidafrikaanse musici waaronder beroemde ballingen als Hugh Masekela en Miriam Makeba.

De culturele boycot-bepalingen van de VN hielden echter ook in dat zwarte Zuidafrikaanse muzikanten niet buiten hun land mochten spelen. Het leek er dan ook op dat Simon zich met de ‘Graceland’-tour alleen maar verder in de nesten zou werken. Verschillende organisaties kondigden acties aan. Het ANC verklaarde een boycot-actie tegen de tour te zullen ondersteunen. Pikant detail daarbij was dat de culturele organisatie van het ANC geleid werd door de zuster van Masekela.

Om de protesten rondom de ‘Graceland’-tour in de klem te smoren, organiseerde Paul Simon een mediacampagne, met zelf vervaardigde interviews op video en persconferenties. Als tegemoetkoming aan de kritiek, schreef Simon een brief aan de VN en het ANC.

Persconferentie

Simon hield op 30 januari 1987, aan de vooravond van de tour, samen met Makeba en Masekela een persconferentie in Londen. Hij zei daar dat het ANC van mening was veranderd over de tour. Harry Belafonte had hem verteld dat Oliver Tambo dat de komende maandag bekend zou maken tijdens een persconferentie. Simon maakte de brief publiek die hij had gestuurd naar Major General Garba, hoofd van de VN-commissie die zich bezighield met apartheid, en het ANC. In deze brief keerde hij zich tegen het apartheidsstysteem: “Zoals miljoenen gewetensvolle mensen in dat land en in de hele wereld die een bijdrage hebben geleverd aan de strijd voor de beëindiging van dit systeem, werk ik er op mijn terrein aan om dit doel te bereiken. Als een artiest die heeft geweigerd in Zuid-Afrika op te treden, herhaal en handhaaf ik deze positie in de context van de culturele boycot van de Verenigde Naties.”

Culturele statements

Ook verklaarde hij waarom hij op ‘Graceland’ niet expliciet gezegd had dat apartheid fout was: “Ik beschouw het niet als mijn verantwoordelijkheid om mensen die nooit van apartheid hebben gehoord op te voeden. Zeker als ze er voor de eerste keer van een popster van moeten horen is het fout. Popmuziek is niet het forum om complexe politieke zaken te bespreken. Ik ben geen politicus, maak geen politiek statement. Ik maakte culturele statements die politieke implicaties hebben.”

Volgens Hugh Masekela was de persconferentie, bedoeld om de weg vrij te maken voor de tour, enigszins tragisch en ironisch. Hij legde zijn gevoel erover uit aan zijn voormalige echtgenote Miriam Makeba: “Omdat wij onszelf moeten verdedigen en verantwoorden tegenover mensen die nog niet eens waren geboren toen jij in 1964 de Verenigde Naties toesprak over de Zuidafrikaanse apartheidspolitiek.”

Tegen critici zei Masekela op de persconferentie: “Het is onze muziek en ons land. Wie zijn die mensen in Londen om ons te vertellen wat we zouden moeten doen. Als ze willen helpen, moeten ze protesteren bij Europese regeringen, niet bij muzikanten.”

De belangrijkste gitarist van de ‘Graceland’-tourband, de in Zuid-Afrika woonachtige Ray Phiri, zie tijdens de persconferentie dat muziek een vitale rol speelt in de ontwikkeling van het sociale bewustzijn en de toekomstige koers van zwarte Zuid-Afrikanen. “Dat wij op deze toernee gaan geeft een miljoen zwarte musici de hoop dat ze eens niet meer hun hand hoeven op te houden. Het is essentieel dat wij de wereld intrekken. We lossen het apartheidsprobleem niet op door het te negeren.”

Hij voegde daaraan toe dat alleen de blanke Zuidafrikaanse leiders bij de controverse rondom ‘Graceland’ gebaat waren.

VN en ANC

De politieke adviseur van de VN-apartheidscommissie Amer Araim verklaarde op 2 februari 1987 dat Simon van de zwarte lijst was gehaald na het schrijven van de brief waarin hij beloofde niet in Zuid-Afrika op te treden. Hij zou drie weken op de zogenaamde zwarte lijst, de “Register of Entertainers, Actors and Others Who Have Performed in Apartheid South Africa”, hebben gestaan.

De brief van Simon had niet dezelfde uitwerking bij het ANC, In tegenstelling tot wat Simon zei tijdens de persconferentie was het ANC nog niet van mening veranderd. Tambo zei op zijn persconferentie niets over Simon. Drie weken later verklaard zijn zoon Dali Tambo via Artists Against Apartheid dat het ANC niet van mening was veranderd over de culturele boycot en de positie van Simon. Desondanks voorkwam Simon met zijn opmerking tijdens de persconferentie dat het ANC hem tijdens de ‘Graceland’-tour openlijk aan zou vallen.

Simon was ervan overtuigd dat het oplossen van de problemen met de VN en het ANC voor een gemakkelijker verloop van de tour zou zorgen: “Ik ben blij dat deze kwestie nu aan de kant is. Er is veel te veel aandacht aan de politieke kant van de zaak besteed. Laten we ons nu richten op de muziek en de cultuur.”

Rotterdam

De wereldpremière van de ‘Graceland’-show vond plaats in het Nederlandse Rotterdam op 1 februari 1987. Van actiegroepen en demonstraties bij de concerten was geen sprake. Een woordvoerder van het Komitee Zuidelijk Afrika zei geen actie te ondernemen. “Simon heeft gebruik gemaakt van de Zuidafrikaanse opnamefaciliteiten. Maar Simons geval is heel duidelijk niet niet te vergelijken met popgroepen als Boney M., die voor grof geld naar Zuid-Afrika gaan.” Ook de Anti-Apartheids Beweging Nederland liet Paul Simon met rust: “Maar als Paul Simon in Zuid-Afrika had opgetreden dan waren we resoluut in actie gekomen, laat daar geen onduidelijkheid over bestaan.”

De première van de ‘Graceland’-tour verliep zo vlekkeloos, evenals het grootste deel van de rest van de ‘Graceland’-tour. Alleen in Londen zouden er problemen komen.

Londen

Simon vertelde in november 1985 in een interview dat hij een aardige brief van de Engelse protestzanger Billy Bragg had ontvangen. Deze had een song opgenomen die begon met een regel uit Simons song ‘Leaves That Are Green’. Bragg vertelde hem dat hij niet wilde stelen, maar dat het ‘lenen’ van de regel was bedoeld als een compliment en hij er voor zou betalen. Simon schreef terug en zei in die brief dat dat niet nodig was.

Voor de concerten in Royal Albert Hall in Londen in februari 1987 kreeg Simon een door deze Billy Bragg mede ondertekende brief aangereikt door Jerry Dammers (leider van de groep The Special AKA die een hit scoorde met ‘Free Nelson Mandela’) namens de organisatie  Artists Against Apartheid. In deze brief vroegen ze om een publieke verontschuldiging van Simon aan de VN en de verzekering dat hij niet opnieuw de boycot zou breken. Simon weigerde te reageren. Dit leidde in Londen tot de vreemde situatie dat buiten anti-apartheidsdemonstranten een betoging hielden bij de Royal Albert Hall, terwijl binnen krachtige Township Jive-muziek uit Soweto werd gespeeld en het officieuze Afrikaanse verzetsvolkslied ‘Nkosi Sikeleli Afrika’ te horen was.

Nelson Mandela Tribute

Het protest tegen de ‘Graceland’-tour kreeg nog een staartje in juni 1988. Toen werd in het Wembley Stadion in Londen de zeventigste verjaardag van de op Robbeneiland gevangengehouden ANC-leider Nelson Mandela gevierd. Opmerkelijk was dat Paul Simon niet verscheen op dit ‘Nelson Mandela 70th Birthday Tribute’, Miriam Makeba en Hugh Masekela traden wel op met de rest van ‘Graceland’-tourband. Dat Simon niet optrad werd veroorzaakt door organisator Jerry Dammers, de man achter de actie tegen Paul Simon in 1987. Vreemd genoeg trad samen met de Dire Straits wel Eric Clapton op. Tijdens een concert in de jaren ’70 had hij vanaf het podium racistische uitspraken gedaan. Als reactie werd toentertijd de organisatie Rock Against Racism opgericht.

Dire Straits-manager Ed Bicknell was bezorgd over het wegblijven van Simon: “Ik vroeg waarom Simon niet in de Mandela-show was en kreeg toen diepe zuchten als antwoord. Toen vroeg ik waarom Hugh Masekela en Miriam Makeba, die op het podium stonden met Simon in de Albert Hall, wel in Webley zouden zijn en hijzelf niet.” Jerry Dammers antwoordde daarop dat hij niet had gedemonstreerd tegen Hugh en Miriam, maar tegen Paul Simon. Omdat deze Masekela en Makeba zou hebben gebruikt om zichzelf tegen kritiek te verdedigen. “Onze kritiek gold voor de opnamen van ‘Graceland’, niet de tour. Het zou nogal arrogant van ons zijn om Hugh en Miriam te weigeren om te spelen, gezien hun staat van dienst in de jaren dat ze in ballingschap leefden.”

Harare

De tour van 1987 bracht Paul Simon ook in Afrika. Eigenlijk wou hij het liefst in Zuid-Afrika zelf optreden. De politieke situatie verhinderde dat toen. Wel probeerde hij zo dichtbij als mogelijk te komen. Het hoogtepunt van de ‘Graceland’-tour werd zo het uitstapje naar Harare, waar in het Rufafo-stadion, op 1500 kilometer van Johannesburg, twee optredens werden gegeven. Deze concerten werden bijgewoond door een kleine 10.000 Zuid-Afrikanen, die voor deze gelegenheid de grens waren overgestoken.

Toch waren er spanningen rondom de concerten, vooral vanwege de nabijheid van Zuid-Afrika en de dreiging van haar geheime dienst. Miriam Makeba zei tegen Simon voor die concerten: “Ik hoop dat je de luidsprekers op bommen test.” Simon: “Als een van je belangrijkste participanten dat vraagt, dan doe je dat.” Over de concerten in Harare zei Simon dat het een ervaring was die hij nooit zou vergeten. “Dit is een thuiskomst voor de meeste muzikanten. We zijn naar een frontlijnstaat gekomen – zo dicht bij Zuid-Afrika als ons is toegestaan. Dit is waarom we naar Afrika gingen. Omdat we dachten dat het speciaal zou zijn. Kun je voorstellen hoe het zou zijn als we in Zuid-Afrika zouden optreden?”

The Right Time? – het optreden van Paul Simon in Zuid-Afrika in 1992

“I hope we will be able to invite Paul Simon to Johannesburg in a free South Africa!” Die uitspraak deed Miriam Makex tijdens de ‘Graceland’-concerten in 1987 in Harare, aan de grens met dat Zuid-Afrika. In januari 1992 werd het bewaarheid. Simon was bezig met een wereldtournee, en als onderdeel daarvan gaf hij vijf concerten in Zuid-Afrika. Helemaal vrij was Zuid-Afrika dan wel niet, optreden deed Simon er wel. Na een granaataanval op Simons geluidsfirma in Johannesburg was een media-evenement geboren. Het ging net als bij het uitkomen van ‘Graceland’ niet meer om de muziek, maar om politiek.

Simon landde op dinsdag 7 januari 1992 op het Jan Smuts-vliegveld, waar hij zeven jaar eerder incognito aankwam voor opnamen voor ‘Graceland’. Twee uur later ontploften handgranaten bij het kantoor van een bedrijf dat het geluid bij Simons concerten in Zuid-Afrika zou verzorgen. Simon was zeer verrast, temeer omdat hij dacht dat alle problemen rondom de tour uit de wereld waren.

Een week eerder waren de dreigementen begonnen. Op zaterdag 28 december deed de linkse zwarte jongerenbeweging Azayo (onderdeel van Azapo: de Azaniaanse Volksorganisatie; zij spreken over Zuid-Afrika als Azania in navolging van Steve Biko) een oproep tegen de concerten van Simon, omdat men vond dat Zuid-Afrika nog niet democratisch genoeg was om de culturele boycot te beëindigen. Daarin werden ze later gesteund door het Pan African Congress. Azayo vond het vooral te vroeg voor Simon om op te treden, omdat dit geweld aan zou wakkeren. Later dreigde men zelf met geweld, met het bekende resultaat. Thami Mcerwa, een leider van Azapo, zou een week later worden gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij de aanslag.

Met de optredens in Zuid-Afrika doorbrak Simon – net als met zijn opnamesessies voor ‘Graceland’ – eigenlijk de culturele boycot, die nog steeds officieel van kracht was. Sinds mei 1991 keurt de VN met haar ‘Los Angeles Declaration’ een doorbreking van die culturele boycot echter goed voor artiesten die hun inzet hebben laten zien om bij te dragen aan niet-raciale structuren in Zuid-Afrika. Echte duidelijkheid is er echter nog niet over wie mag optreden, zodat bekendere artiesten het nog niet hebben aangedurfd om in Zuid-Afrika op te treden.

Paul Simon speelde al langer met het idee om op te treden in Zuid-Afrika, om de muziek zoals die te horen is op ‘Graceland’, terug te brengen naar haar inspiratiebron. De officiële uitnodiging van het aan het ANC gelieerde South African Musicians’ Alliance gaf hem die gelegenheid. Het ANC zelf, de Inkatha-beweging en de Zuidafrikaanse regering verklaarden allen voor Simons tour te zijn.

Bij de Zuidafrikaanse tour werd gezorgd voor een indrukwekkend voorprogramma, een afspiegeling van de Zuidafrikaanse muziek van nu. Met één van de groepen uit het voorprogramma – Soulbrothers – zou hij ook in 1985 tijdens de ‘Graceland’-sessies in Johannesburg opnemen. In dat stadium kwam er een telefoontje vanuit Amerika waarin hen werd verteld niet op te nemen met Paul Simon.

Op woensdag 8 januari onderhandelde Simon langdurig met Azayo-vertegenwoordigers om ervoor te zorgen dat de concerten in Zuid-Afrika konden doorgaan zonder de dreiging van geweld. Tijdens die besprekingen bleken de ware motieven van Azayo. Het was het niet zozeer te doen om het in stand houden van de culturele boycot, maar meer om publicitaire aandacht voor hun tot dan toe vrijwel onbekende politieke denkbeelden. Er werd zelfs voorgesteld dat Simon onder Azapo-vlag extra concerten zou geven. Toen die ware bedoelingen duidelijk werden greep Simons manager Ian Hoblyn in en stopte de onderhandelingen. Simon zei op de volgende persconferentie dat Azayo had beloofd geen geweld meer te zullen gebruiken. Daarop stond een Azayo-vertegenwoordiger in de zaal op en zei dat zoiets niet beloofd kon worden. Het was tekenend voor de gespannen sfeer die na de bomaanslag was ontstaan. Robert von Lucius beweerde later in de Frankfurter Allgemeine Zeitung dat sommige protestgroepen geld van het management van Simon hadden aangenomen en in ruil daarvoor hun protest opgaven.

Nelson Mandela

De vrijdagavond voor het eerste concert was Paul Simon hoofdgast op een door Nelson Mandela georganiseerd feestje in het Carlton hotel. Zowel Simon als Mandela hielden een toespraak. Mandela benadrukte dat Simon onder vrienden was. Het feestje was enigszins ironisch omdat Simon vier jaar eerder niet was gevraagd voor het ‘Nelson Mandela Tribute Concert’. De organisator van dat concert voor Mandela in 1988, Jerry Dammers, moet wel met kromme tenen naar de beelden van de ontvangst van Simon gekeken hebben. 

Andere gasten op het partijtje waren de communistische partijvoorzitter Joe Slovo, de Amerikaanse actrice Whoopi Goldberg die de musical Sarafina in Soweto verfilmde, en minister van Buitenlandse Zaken Botha. De laatste zei dat Simon alle bescherming van de Zuidafrikaanse regering zou krijgen, dat verhoogde nog meer het hoge ‘royalty’-karakter dat Simons bezoek aan Zuid-Afrika kenmerkte.

Eenzelfde bescherming bood het ANC aan. Deze genereuze steunbetuiging – men bood zelfs aan dat een ANC-lijfwacht zou beschermen – is des te opvallender als men bedenkt dat Simon na het uitkomen van ‘Graceland’ door dezelfde organisatie zeer bekritiseerd werd voor het schenden van de culturele boycot. Het ANC was toentertijd ook tegen de ‘Graceland’-tour, omdat volgens de boycot-regels Zuid-Afrikaanse artiesten niet in het buitenland mochten optreden. Net als het ANC lieten verschillende anti-apartheidsbewegingen toentertijd protesten horen. De anti-apartheidsbeweging in Nederland liet nu weten dat Simon er alles aan had gedaan om zijn bezoek politiek te laten slagen, door iets terug te doen voor de zwarte cultuur. Simon stortte 70.000 gulden van de opbrengst van de tour op rekening van de non-raciale vakbond van muzikanten en gaf workshops aan zwarte muzikanten en geluidstechnici.

De concerten in Zuid-Afrika

Op zaterdag 11 januari begon ’s middags in het Ellis Park Stadium in Johannesburg het eerste concert van Paul Simon op Zuidafrikaanse grond. De bezoekers werden scherp gefouilleerd. De bewaking bestond uit een kleine 1000 man politie die waren uitgerust met tanks, honden en helicopters. Een vijftigtal Azayo-aanhangers protesteerde met leuzen die bestonden uit verbasterde titels van songs van Simon: ‘Come at the wrong time’ en ‘You have blood on the soles of your shoes’. Onder de geschatte 40.000 toeschouwers bevonden zich weinig zwarten. Dat zou overigens niet alleen het gevolg zijn van de dreiging met geweld door radicale zwarten, maar ook door de toegangsprijs, die voor de gemiddelde zwarte arbeider te hoog zou zijn.

Over de exorbitante veiligheidsmaatregelen rondom het eerste concert schreef Richard Ellis in de Sunday Times. Op Robbeneiland – waar Nelson Mandela zo lang gevangen zat – zou Simon zich volgens hem niet veiliger kunnen hebben gevoeld. Simons bodyguard-team werd geleid door een voormalig SAS-officier, zodat zoals een organisator zei: “Niemand binnen paar honderd meter rondom Paul lucht kon verplaatsen zonder gepakt te worden.”

Ondanks de geringe opkomst werd Simon enthousiast onthaald door het publiek. De meeste nummers van ‘Graceland’ werden gespeeld. Miriam Makeba, die sinds 1991 weer in Zuid-Afrika woont, zong mee als speciale gast. De belangstelling voor het concert van zondag was nog minimaler, maar twintigduizend toeschouwers zouden aanwezig zijn geweest.

Simons tour door Zuid-Afrika was zeer zeker niet de historische triomftocht geworden, waarop door velen gehoopt was. De tegenstand tegen zijn tour was weliswaar beperkt tot een kleine minderheid, maar hun dreiging met geweld en de daarop volgende aandacht van de media was voldoende om de sfeer rond zijn concerten te verzieken. Simon zou dan ook beter wat langer hebben kunnen wachten met zijn Zuidafrikaanse tour. Met deze concerten werden de tegenstellingen over zijn bedoelingen alleen maar vergroot. De aandacht was net als bij de release van ‘Graceland’ voornamelijk gericht op politieke complicaties en niet op de muziek. Simon dacht opnieuw deze twee zaken gescheiden te kunnen houden.

Na afloop van de concerten in Zuid-Afrika, die volgens Simon muzikaal een hoogtepunt in zijn wereldtour waren, bleek dat Simon nog in New York – toen de eerste berichten over de protesten kwamen – de tour had willen afblazen. Later zag hij die protesten als een publiciteitsstunt. “Het was als een soort amateuruurtje. Ik nam het niet serieus. Hun politieke denken is niet intellectueel. Ik slaap normaal 9 à 10 uur per nacht en ik heb tot nu toe geen slaap verloren,” zei hij in Zuid-Afrika toen hem werd gevraagd wat hij van de protesten vond.

Later bleek dat grootspraak te zijn. Bij alle vijf de concerten was de belangstelling zo minimaal dat de teleurgestelde Paul Simon verschillende malen op het punt stond om de tour af te breken. De steun an de Zuidafrikaanse muziekvakdon weerhield hem daarvan.

Simon verloor waarschijnlijk 150.000 pond, maar dat was hem de droom van een optreden in Zuid-Afrika wel waard. “Alhoewel er nog geen sprake is van een vrij Zuid-Afrika, praten we over een veranderende samenleving, één die onverbiddelijk in de goede richting gaat.”

De internationale concertorganisator Harvey Goldsmith, die Simons concerten in Afrika en Europa organiseerde, zei dat Simons Zuidafrikaanse tour waarschijnlijk de laatste van een grote internationale artiest was geweest. Hij beschuldigde de media ervan dat ze mensen hadden afgeschrikt door hun overdreven aandacht voor de dreigingen met geweld. Voor de tour zei Simon dat veel andere artiesten geïnteresseerd waren in zijn geplande optredens, omdat ook zij in Zuid-Afrika wilden optreden. “Maar als mensen handgranaten gooien komt niemand hier meer naar toe, hoe veel je ze ook welkom heet.”

New York 1992 – epiloog

In 1990 kwam ‘The Rhythm Of The Saints’ uit, de opvolger van ‘Graceland’. Het album was in Rio de Janeiro, Parijs en New York opgenomen en klink over het algemeen wat minder verrassend dan ‘Graceland’. Simon sprak bij het uitkomen van het album voor het eerst sinds jaren weer uitgebreid met de pers. Natuurlijk werd er teruggekeken op de controversen die het ‘Graceland’-album omringden.

In een interview zei Simon verrast te zijn geweest over de beschuldigingen dat hij Derde Wereld-muziek gestolen had. Naast het feit dat hij de culturele boycot met Zuid-Afrika schond, werd Simon vaak verweten dat hij misbruik maakte van andere muzikanten. Bij zijn nieuwe album verwachtte hij dezelfde verwijten, als betwijfelde hij of het met dezelfde hevigheid gepaard zou gaan.

Hij maakt zich nog steeds zeer kwaad als iemand hem beschuldigt van ‘cultureel kolonialisme’. Paul Simon: “Wat me het meest ergert is het impliciete racisme van zo’n opmerking als: Paul Simon buit zijn zwarte muzikanten uit. Wie zoiets zegt beschouwt zwarten als onmondige chimpansees, mensen die niet zouden weten hoe ze voor hun rechten moeten opkomen, hoe ze een contract moeten lezen, en vindt ook dat die mensen geen muzikale keuzes kunnen maken. Géén van hen was verplicht met mij te spelen. Maar ze hebben het gedaan, wellicht omdat ik hen grondig heb uitgelegd wat mijn bedoeling was. Ik ben niet als een smerige kolonialist met grove laarzen door hun land gestapt om hun muziek te stelen. Nee: ik heb tijd genomen om henzelf en hun muziek te leren kennen. Daarom ben ik naar Zuid-Afrika gegaan: omdat ze daar wonen.”

Anti-blank racisme

Volgens Simon is er nog een tweede soort racisme mee gemoeid, anti-blank deze keer, in de trant van ‘Wat doet zo’n Simon tussen al die prachtige negers.’ “Ik zou mijn gezicht moeten zwartverven als ik naast Miriam Makeba of Ladysmith Black Mambazo op een podium kruip. Nu, dat doe ik niet. Ik heb mijn identiteit, zij de hunne. Als er blanke journalisten zo met hun identiteit in de war zijn dat ze zich er voor schamen dan is dat hun probleem, niet het mijne. Voor mij, hebben die beschuldigingen (tegen mij) een onderliggend anti-westers, anti-Europees rassenvooroordeel, en ik denk dat dat aangegeven moet worden. De implicatie is, ‘Jij bent wit, je hebt geen reden om dit te doen.’”

Tegen Andreas Hub zei Simon dat het hem ook ergert dat niemand naar de muzikanten is gegaan en hen gevraagd heeft of zij zich door Paul Simon voelden uitgebuit. “Als ik de mensen niet zou betalen, als ik hen niet de eer zou geven die ze toekomt, o.k., dan zou je kunnen zeggen dat ik misbruik van hen maak. Maar dat is niet de aanklacht. Het gaat over cultuur. Het is alsof een cultuur overgenomen kan worden, en ik denk dat een cultuur niet overgenomen kan worden. Cultuur is een idee; het kan niet in bedwang worden gehouden door een nationale grens, evenmin als de keuken van een cultuur in bedwang kan worden gehouden, of zelfs een waarde-systeem.”

Klassieker

‘Graceland’ wordt nu door veel popjournalisten en platenkopers al beschouwd als één van de belangrijkste albums uit de jaren tachtig. Het lijkt net zo’n klassieker te worden als ‘Bridge Over Troubled Water’. Door ‘Graceland’ zorgde Simon ervoor dat hij weer mee ging tellen als componist, tekstschrijven en artiest in de hedendaagse popmuziek. 

‘Graceland’ had aanvankelijk een kleine rage voor muziek uit de ‘Derde Wereld’ tot gevolg. Belangrijker dan de belangstelling voor het exotische is het idee dat het vermengen van bepaalde kenmerken uit verschillende culturen mooie resultaten kan opleveren. Zo maakte onlangs een Bulgaars vrouwenkoor een plaat met een West-Afrikaanse band. Juist in tijden van etnocentrisme en nationalisme is een dialoog tussen verschillende culturen van belang.

Gevoelens over ‘Graceland’

Cathy Dillon vroeg Paul Simon na een persconferentie in Londen in 1990 naar aanleiding van ‘The Rhythm Of The Saints’ over zijn gevoelens over de ‘Graceland’-controverse. Paul Simon zei dat hij goede gevoelens over ‘Graceland’ had: “Naast het feit dat het een groot succes was, kon ik optreden met mensen die ik bewonder en die goede vrienden van me zijn geworden. Wat betreft de controverse denk ik na vier jaar dat je geen enkel punt kunt aanwijzen dat negatief was. Het ANC veranderde hun culturele boycot-politiek, zodat zwarte cultuur niet meer geboycot werd. Ze hebben hun politiek verhelderd en ik denk dat dat zonder ‘Graceland’ niet gebeurd was. Het debat heeft, alhoewel het toentertijd stress veroorzaakte, moeten plaatsvinden. Iedereen heeft zijn mening kunnen geven en nu kun je zien dat er niets negatiefs naar aanleiding van het album gebeurde en er veel positiefs uitkwam.”

Hij protesteerde ook tegen het idee dat hij Zuidafrikaanse muziek gebruikte om opnieuw succes te krijgen. “Ik had een ideetje toen ik aan die plaat begon, maar is wist bij God niet of het stand zou houden. Iedereen heeft me afgeraden die plaat te maken. Iedereen voorspelde dat het artistieke en commerciële zelfmoord was. Mensen die het erg goed met me meenden, zeiden: als je je inlaat met Zuid-Afrika, krijg je zeer zeker problemen. Ze hebben gelijk gekregen: Ik ben door het slijkt gehaald omdat ik in Zuid-Afrika ben gaan werken; maar ik ben niet in Sun City gaan optreden, zoals me voor miljoenen dollars aangeboden is. Ik ben op eigen kosten authentieke muzikanten gaan opnemen in hun studio’s, in hun thuislanden. Ik heb me de pleuris gewerkt aan die plaat. Ik heb er jaren van mijn leven in gestoken.

De controversen

Bij een bestudering van de controversen rondom het ‘Graceland’-album en de tour blijkt dat veel van de hoofdrolspelers boter op hun hoofd hebben.

De VN heeft onduidelijkheid geschapen doordat niet duidelijk was in welke gevallen de culturele boycot gold. Het valt op dat het ANC een flinke ommezwaai maakte ten aanzien van ‘Graceland’. Aanvankelijk steunden ze de oppositie tegen het album, maar in 1992 ontvingen ze Paul Simon met open armen in hun midden. Simon zei in Zuid-Afrika dat het debat rondom ‘Graceland’ noodzakelijk was geweest en dat de scheur tussen hem en het ANC overbrugd was. De radicale zwarte groepering Azapo bleek net als het ANC opportunistisch te zijn. Ze vielen Simon aan om hun radicale standpunten kenbaar te kunnen maken. Door de verwikkelingen rondom de tour door Zuid-Afrika zal het nog even duren voordat andere bekende Westerse daar zullen optreden. Waarschijnlijk zal dat pas na de eerst vrije, democratische verkiezingen gebeuren. 

Bij al deze controversen valt ook de rol van de media op. Mede door hun vaak ongenuanceerde aandacht werd de zaak nogal opgeblazen. Daarbij werd voorbijgegaan aan het feit dat verschillende bekende westerse artiesten daadwerkelijk en moedwillig de culturele boycot doorbraken door in Sun City op te treden. Zij werden daarom nauwelijks bekritiseerd, terwijl er op Simon zowat een heksenjacht werd ontketend. Hij werd maar al te vaak als racist en kolonialist afgeschilderd, terwijl hij met zijn laatste tour liet zien één van de weinige westerse artiesten te zijn met een band met muzikanten uit Zuid- en Noord-Amerika, Europa en Afrika. Dat lijkt in veel opzichten een belangrijker statement dan de protestzanger die op een podium ‘Apartheid Nee!’ en ‘Racisme Nee!’ gaat roepen, misschien wel omdat het zo in is.

Headman Shabalala

Dat apartheid met het afschaffen van de apartheidswetten nog niet helemaal verdwenen was, maakte Paul Simon persoonlijk mee. Net voor de Zuidafrikaanse tour werd Headman Shabalala, een lid van Ladysmith Black Mambazo, vermoord door een blanke bewaker. Deze kwam met een borgsom van 330 gulden voorlopig vrij. Simon zei daarover in Zuid-Afrika dat een zwart leven blijkbaar goedkoop te nemen is. Tijdens zijn Zuidafrikaanse tour bezocht hij het graf van Headman Shabalala en hij droeg de concerten aan hem op. Eind 1992 werd de moordenaar veroordeeld tot slechts drie jaar huisarrest. Na deze veroordeling werd hij op borgtocht vrijgelaten. De Zuidafrikaanse vereniging van Advocaten voor de Mensenrechten noemde de uitspraak van het Hooggerechtshof “ongewoon mild”. Paul Simon verklaarde geschokt te zijn en lijkt pas toen de werkelijke politieke en ook culturele betekenis van apartheid te hebben begrepen: “Walgelijk, is dit nu wat Headmans leven waard is? Het is een belediging voor zijn nabestaanden. Zo werkt apartheid dus, ik schaam me om blank te zijn.”

Graceland 1984-1992. De controversen rondom Paul Simon: Popmuziek, politiek en Zuid-Afrika. Essay voor Overdrachtskunde (docent Wam de Moor, KUN, 1993).

Postscriptum

Koninklijke Bibliotheek (KB)

Titel: One-trick pony : het officiële fanclubblad van de Nederlandse Paul Simon Fanclub
Organisatie: Paul Simon Fanclub
Jaar: 1989-1995
Nummering: Jrg. 1, nr. 1 (1989) – jrg. 5, nr. 4 (juni 1995)
Uitgever: Geldrop : Paul Simon Fanclub
Annotatie: Niet verder verschenen
Verscheen 4x per jaar
Formaat: 22 cm
ISSN: 0925-319X = One-trick pony
Trefwoord Depot: tijdschriften; popmuziek

Aanvraagnummer: TD 3536
Aanwezig: vol. 1, afl. 1 (1989) – vol. 5, afl. 4 (jun 1995)
Beschikbaarheid: Gesloten magazijn (reserveren noodzakelijk)