“Mit dem Ruecken an einer kurzer Betonsockel gelehnt eingeschlafen, August 1981”

Waden door het wassende water van de Waal

Waalkade © 2021 Stefan Louwers

We komen gewoonlijk nooit op de Waalkade, dus als we er komen moet er wel iets te doen zijn. Nu, dat was zo. Op een goede dag in januari rees het water in onze vaderlandse rivieren tot ongekende hoogte. Dijkgraven en commissarissen der koningin werden gemobiliseerd om aan de crisissituatie het hoofd te bieden. Van heinde en verre trokken verslaggevers naar de diverse plaatsen des onheils. Zo ook ondergetekenden, die op dat moment sowieso sterke behoefte aan ontspanning hadden. Als ‘Rampstamgasten’ hielden wij de vinger aan de pols.

Café Verkade, maandag 31 januari 19.31 uur.

Verkade is omgetoverd in een watersportcentrum, maar blijft open. Via de keuken is de toegang voorlopig verzekerd. Houten schotten gevuld met een soort van mest geven de relatieve zekerheid dat de koffie, Koninck en Amsterdammers met droge voeten gedronken kunnen worden. Alhoewel. De kou trekt ontzettend op langs de barkruk. En Fred, de bedrijfsleider, moet af en toe een speciale waterzuiger hanteren om de zaken onder controle te houden. Mannen met lieslaarzen komen wadend voorbij. Alsof we naar een surrealistische film uit Bangladesh kijken. Frank Boeijen klinkt op de achtergrond. Er doen geruchten de ronde over 25.000 mensen die al geëvacueerd zouden zijn, zonder ons in te lichten. Zou de Ooijpolder er ook aan moeten geloven? De gokchinezen zijn al uitgeweken naar andere Holland-casino’s, want het Nijmeegse filiaal is niet meer bereikbaar.

Mannen met een kruiwagen vol mest struinen langs caféruiten. De hooivork in de brede handen. Koud. Jas. Das. De stem van Frank Boeijen klinkt onheilspellend door de luidsprekers: “Waar blijft de storm? Waar blijft de bliksem? Het is tijd om te gaan.”

Buiten waadt een man met een stretcher voorbij.

Café Kandinsky, 20.03 uur.

Het geluid van opspattend water vermengt zich met het gerinkel van glazen. Schimmen wankelen door de zwarte rivier. Hun doel onbekend. Het café verandert in een aquarium. En als de pannekoekenboot niet meer mag varen, dan weten we: dit is een ramp. We mogen zelfs stellen een nationale ramp.

Het is een wonder dat de kadelampen het nog doen.

Café Vivaldi’s, 21.00 uur.

We zitten aan een tafeltje tegen het water aan. Slechts gescheiden door een hoopje mest en wat houtwerk. Over de Waalbrug een eindeloze rij auto’s en vrachtwagens. De Evacuatiespits. De barvrouw zet kaarsjes op tafel, ter verhoging van de kerstsfeer. Reddingswerkers komen voorbij, het water tot hun middel. Zij zingen het lied van de dode vogeltjes. Een cameraploeg verschijnt op de loopbrug naar Quirin’s fruits de mer-kroeg. Een andere cameraploeg duikt op voor het raam. Dat is schrikken, zo’n lamp onaangekondigd in je gezicht. Het kan nog erger, tijdens ons verblijf in Vivaldi’s is het water maar liefst 2 centimeter gestegen.

Conversatie: S: ‘Het stijgt nog steeds.’ T: ‘Waarom zouden we hier anders zitten.’ S: ‘Het zou gezellig worden.’ En het wordt gezellig, met een gesprek over Auschwitz, Aids, de dood.

De barvrouw vult de glazen bij.

Café De Spot, 22.42 uur.

José meldt op verontruste toon de ontruiming van de Ooij. Nu pas beseffen we de omvang van ‘De Ramp’. We drinken snel ons bier op teneinde hulp te bieden aan de getroffen volksstammen. Het goede in ons komt als schuim bovendrijven. Wij spoeden ons met de laatste bus naar Ubbergen.

De nacht is donker, de buschauffeur zwijgt.

Café De Tol, dinsdag 1 februari, 00.33 uur.

Onderweg naar morgen over de Ubbergse Holleweg met Mark van Deursen die voor de gelegenheid laarzen heeft aangeschaft. Tevergeefs meldde hij zich als vrijwilliger bij de gemeente Beuningen. Maar dat wilde maar niet onderlopen. We trekken een verlaten Ubbergen in, op zoek naar een Griek. We bellen aan, maar Kosta is niet thuis. ‘Die is vanavond al geëvacueerd’ vertelt een meisje in peignoir.

Zij bleef.

Niemand heeft onze hulp nodig. Dan maar naar De Tol. De lokale bevolking heeft zich rond de bar gegroepeerd en schrikt op bij onze binnenkomst. “Die ramptoeristen zouwen ze allemaal op moeten knopen!” Drie pils verder integreren we met de hond. Balletje, balletje. Bij gebrek aan CNN klinkt op de achtergrond Omroep Gelderland, live, 24 uur per dag. We vangen flarden op: “Veewagens nodig”, “75.000 voor acht uur hun huis uit”, “de uitvalswegen naar Nijmegen en Kleef zijn vol”.

Ondertussen wordt er gebiljart door de lokale bevolking.

En wij, wij flipperen op de Getaway. Een zwaailicht schijnt door het café. We kijken naar buiten, maar het blijkt de flipperkast te zijn. Weer aan de stamtafel gezeten vragen we commentaar aan Mark van Deursen: “De ramp is gewoon in scène gezet als nation-building. ’53 is al zo lang geleden, we hebben nieuwe helden nodig. We moeten heldhaftige reddingsacties gaan scoren. Als een schaap op het droge is, volgt de rest. En als het café het hoogst is, is de pils nabij.”

Een overstroming van bier over het tafelkleed.

Om te kijken of de Spot nog open is lopen we langs de Rijksstraatweg naar Nijmegen. Boedelbakken en veewagens rijden af en aan. De Spot is dicht. Rifki is nog open.

De maxi-lams-met-kaas smaakt naar dameskappers.

Velorama, 16.30 uur.

In plaats van een nooduitgang heeft het fietsenmuseum een noodingang, achterom. Duitse cameraploegen hebben zich aan het begin van de Waalkade opgesteld. Grote videolampen, babbelende verslaggevers, kabels, kabels. Er staan drie satellietwagens van Duitse TV-stations.

Het is immers hun water.

Café Riva, 18:00 uur.

Wij drinken cognac uit onverwarmde glazen. Riva zit vol koppeltjes. Het wassende water brengt de mensen tot elkaar. Zitten in een café is in feite participeren aan één groot toneelstuk. Verhalen vormen zich, verhalen voor later, en als bakens in de natte duisternis lichten de lantaarns van de Waalkade ons bij.

Het is hier werkelijk hozen of housen, dat is wel duidelijk.

Café Het Einde van Eindeloos, 19.30 uur.

Zandzakken vullen is de enig maatschappelijk aanvaarde bezigheid op het moment, maar er is niemand die een zandzakvulmachine uitvindt. Het acht-uur journaal wordt aangezet. Volslagen onbekende verslaggevers met ernstige lange gezichten. Interview met een oude man: “Ik word 89 en het is rommel in Bommel, dus dan weet je het wel.”

Het water staat in dit café met natte planken en dode gokkast inmiddels tot de sigarettenautomaat. Wij verdrinken de kater van gisteren door na de wijn en de cognac jonge jenever te consumeren.

De dans van de dode zee… De dode zee stroomt over.

De Spot, 22.00 uur.

In de Spot de gebruikelijke mensen, aangevuld met een enkele evacuée.

Dee haalt de lege glazen op.

Ergens aan de Waalkade, woensdag 2 februari, 04.00 uur.

Water, water, water.

Geruisloos.

Tjox en Stephan

Historisch Institutioneel Tijdschrift (H.In.T.) 2 (1995) 19-21.

Postscriptum S.L., That’s me in the Spot, 1999

Niet iedereen was gekomen. Niet iedereen was er blijkbaar van overtuigd dat dit werkelijk de laatste avond zou zijn. Zo vaak kwamen we er niet meer, de laatste tijd. Vijf jaar geleden was het begonnen, door de Star Wars flipperkast.

Een kleine hoekkroeg in een straat vol shoarmatenten. Een straat waar niemand wat te zoeken heeft, waar je gehaast doorheen loopt. Maar wij hadden een doel: The Spot. Een bar, een paar tafeltjes, twee hoge tegen de muur, de flipperkast, een telefoon en een gokautomaat. That’s all. Daar kwamen we dan ook niet voor. We kwamen voor de gezichten die langzamerhand vertrouwd werden, de gedeelde verhalen, de Brand UP die in een rij op de bar stond, een conversatie onderbroken voor de flipperbeurt.

De Plek zit vol. José houdt ermee op en wordt sluiswachter aan de Maas. Dee doet haar laatste avond, terwijl de nieuwe eigenaar de volgende morgen meteen gaat verbouwen. The Spot wordt The Saloon. Een country & westernbar met een Indiaan voor de deur. Nooit zal hier meer ‘Chebba’ klinken, ons nummer, of ‘Boing’; het versnellende ritme waarmee we op de barkrukken bewogen en en er wonderwel niet vanaf vielen. We studeerden geschiedenis en toen we goed en wel klaar waren was het geschiedenis. 

De laatste de lekkerste.